Citaat Marcus Tullius Cicero: “Argumenten moet men wegen, niet tellen”.

Taxlive 3/8/2022
Bron: Gerechtshof Amsterdam 30-06-2022 (publicatie 27-07-2022) 21/00144 ECLI:NL:GHAMS:2022:1902

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1902

Samenvatting

X bv vormt tot 27 mei 2014 een fiscale eenheid voor de VPB met haar dochtermaatschappijen F bv en G bv. Op 27 mei 2014 richt X bv H bv op en brengt als storting de aandelen F bv en G bv alsmede meerdere schepen in. Hiertoe heeft X bv een inbrengbeschrijving opgemaakt waarin wordt uitgegaan van de commerciële boekwaarden vermeerderd met een stille reserve van € 1.305.007 en goodwill van € 2.214.751. X bv verzoekt de inspecteur om met ingang van 27 mei 2014 een fiscale eenheid te vormen met H bv, F bv en G bv. Bij beschikking van 20 juni 2014 komt de inspecteur aan het verzoek tegemoet. Op 10 oktober 2014 verkoopt X bv 50% van de aandelen H bv. De resterende aandelen worden op 17 februari 2015 en 19 juli 2015 verkocht. X bv koopt op 7 juli 2015, door middel van een nieuw opgerichte dochtervennootschap V bv, de aandelen G bv alsmede enkele schepen terug van H bv. Als gevolg van de verkoop van 50% van de aandelen H bv verbreekt op 10 oktober 2014 de fiscale eenheid. In geschil is de in aanmerking te nemen boekwinst op grond van art. 15ai Wet VPB 1969. X bv stelt dat de waarde op het moment van het verbreken van de fiscale eenheid lager is als gevolg van de afwaardering van de exploitatievergunningen. De inspecteur stelt dat X bv die lagere waarde niet aannemelijk heeft gemaakt.

Hof Amsterdam oordeelt dat X bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde ten tijde van de ontvoeging op 10 oktober 2014 lager is dan de waarde ten tijde van de inbreng op 27 mei 2014. Uit geen van de stukken van het geding kan worden opgemaakt dat een afwijking van de taxatiewaarden van de schepen of de afwaardering van de exploitatievergunningen aannemelijk is. Het hoger beroep van X bv is ongegrond.

Opmerking

In geschil voor het Hof (rechters Lips/Ouderaa/Kostense) is na de uitspraak van de rechtbank slechts de hoogte van de in aanmerking te nemen boekwinst als gevolg van de toepassing van artikel 15ai Vpb wegens ontvoeging van H B.V. uit de fiscale eenheid met belanghebbende, X BV. Deze hoogte was bij de rechtbank niet in geschil. Kennelijk zag belanghebbende in hoger beroep kans om toch feiten naar voren te brengen die die hoogte naar beneden drukken. De toepassing van art 15ai Vpb zelf is in hoger beroep niet meer in geschil.

Rechtbank: fiscale eenheid?

Een geschil over art 15ai Vpb komt niet vaak voor de rechter, omdat deze antimisbruik regeling duidelijk en fiscaal dodelijk is. Maar in dit geval ging de voorafgaande schermutseling voor de rechtbank ook over het antwoord op de vraag of er überhaupt een fiscale eenheid tot stand is gekomen. Zo neen, dan speelt art 15ai Vpb niet. Die is echter wel tot stand gekomen en in ro 10 en 11 geeft de rechtbank een overweging, die best nog wel een keer aan de Hoge Raad zal worden voorgelegd. In hoger beroep is de fiscale eenheid niet meer in geschil. Handig dat de uitspraak van de rechtbank bijna integraal is opgenomen in de uitspraak van het Hof.

“Artikel 15, lid 7 Vpb bepaalt dat, indien een dochtermaatschappij in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en deze eenheid ten aanzien van die dochtermaatschappij nog in hetzelfde boekjaar eindigt, voor de tussenliggende periode ten aanzien van die dochtermaatschappij wordt geacht geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen. Met deze bepaling wordt voorkomen dat in een boekjaar onnodig veel perioden onderkend moeten worden waarin wel of geen sprake is van een fiscale eenheid ten aanzien van een belastingplichtige (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 854, nr. 3, pp. 11 en 35). H BV is wel per oprichtingsdatum opgenomen in de fiscale eenheid, zodat volgens de rechtbank niet kan worden gezegd dat dit is gebeurd in de loop van het boekjaar. De inbreng van vermogensbestanddelen in de vennootschap met ‘terugwerkende kracht’ tot 1 januari 2014 maakt dat niet anders, omdat een zodanige inbreng niet meebrengt dat het boekjaar van de vennootschap voorafgaand aan haar oprichting is aangevangen, maar slechts dat de inbreng in de boeken wordt verantwoord tegen de waarde van de vermogensbestanddelen op de genoemde datum. De rechtbank merkt daarbij op dat de beëindiging van de fiscale eenheid ten aanzien van H B.V. in dit geval ook niet het gevolg heeft dat de wetgever met artikel 15, lid 7 Vpb beoogde te voorkomen: ten aanzien van belanghebbende is in haar eerste boekjaar immers slechts één periode te onderkennen waarin zij deel uitmaakte van de fiscale eenheid, waarvan belanghebbende de moedermaatschappij is en één periode waarin dat niet het geval was. Die situatie doet zich voor bij alle ontvoegingen in de loop van een boekjaar.”
Dat is dus niets bijzonders lijkt de rechtbank te zeggen. Maar of de oprichtingsdatum als voegingsdatum voor de dochtermaatschappij niet gezien kan worden als in de loop van het boekjaar van de dochter zou de Hoge Raad nog eens moeten bevestigen. Kennelijk waren bij een negatieve uitkomst de bedrijfsfusiefaciliteit en de herinvesteringsreserve in geschil. Maar die behoeven dus geen behandeling meer. In de uitspraak is de inhoud van die geschilpunten niet opgenomen.

Rechtbank: art 15ai Vpb?

De hamvraag voor de rechtbank is dan of art 15ai Vpb van toepassing is. Op grond van artikel 15ai, lid 1 Vpb wordt, indien in enig jaar binnen een fiscale eenheid door een maatschappij (overdrager) een vermogensbestanddeel is overgedragen aan een andere maatschappij (overnemer), waarvan de waarde in het economische verkeer op het moment van de overdracht hoger was dan de boekwaarde, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip van die overdrager of overnemer, dat vermogensbestanddeel te boek gesteld op de waarde in het economische verkeer. Art 15ai is volgens de rechtbank wel degelijk van toepassing. In ro 17 geeft de rechtbank een klein college over art 15ai Vpb.

“De tekst van artikel 15ai, eerste lid, van de Wet vereist voor de toepassing van de aldaar voorgeschreven opwaardering slechts een overdracht binnen fiscale eenheid gevolgd door een ontvoeging. Het oogmerk van de belastingplichtige en de latere lotgevallen van de overgedragen vermogensbestanddelen spelen daarbij, naar de tekst bezien, geen enkele rol. Het doel dat met artikel 15ai van de Wet wordt gediend leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een uitzondering daarop voor een geval als het onderhavige, aangezien de wetgever met die bepaling nu juist precies het oog heeft gehad op een gebruik van de fiscale-eenheidsregeling waarin een overdracht van een vermogensbestanddeel binnen een fiscale eenheid binnen afzienbare tijd wordt gevolgd door ontvoeging van de maatschappij waaraan die overdracht heeft plaatsgevonden (vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 26 854, nr. 3, p. 19, en Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 6, p. 28-29). Artikel 15ai van de Wet heeft tot doel in een dergelijk geval te voorkomen dat het desbetreffende vermogensbestanddeel kan overgaan naar een partij buiten de fiscale eenheid zonder dat het bij de fiscale eenheid komt tot afrekening van vennootschapsbelasting over een stille reserve die in dat vermogensbestanddeel aanwezig is (zie het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:459, r.o. 2.3.1). Ook die overdracht aan een derde partij heeft in het onderhavige geval plaatsgevonden.”

Voorrangsregeling bedrijfsfusie en fiscale eenheid

In ro 16 somt de rechtbank de feiten op en oordeelt over de voorrangsregeling bij het aangaan van een fiscale eenheid, waarbij tegelijk een bedrijfsfusie plaatsvindt. “Tussen partijen is niet in geschil dat op 27 mei 2014 vermogensbestanddelen waarvan de waarde in het economische verkeer op dat moment hoger was dan de boekwaarde, binnen de fiscale eenheid waarvan [belanghebbende] de moedermaatschappij is, zijn overgedragen aan [H] B.V. Een deel van deze vermogensbestanddelen is overgedragen door eiseres middels een storting op aandelen en een deel is overgedragen door dochtermaatschappij [F] B.V. middels een verkooptransactie. De storting wordt op grond van artikel 6, vierde lid, van het Besluit fiscale eenheid 2003 geacht te hebben plaatsgevonden onmiddellijk na het voegingstijdstip van [H] B.V.”

Dat betekent dus, dat de inspecteur gelijk heeft dat de fiscale eenheid verbreekt op 10 oktober 2014 ten aanzien van [H] B.V. Aangezien dit binnen drie jaar na de inbreng door [belanghebbende] en binnen zes jaar na de verkoop door [F] B.V. is gebeurd, is de sanctie van artikel 15ai van de Wet van toepassing.

Evenredigheidsbeginsel

In ro 18 gaat de rechtbank nog in op de relatie tussen art 15ai Vpb en haar voorloper de 16e standaardvoorwaarde (wie kent deze nog?).

“Het arrest van de Hoge Raad van 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0417, waarop [belanghebbende] zich heeft beroepen, noopt niet tot een andere uitleg. Dat arrest had namelijk betrekking op een andere tekst, te weten die van de voormalige zestiende standaardvoorwaarde, en de in het arrest gekozen interpretatie berustte volledig op het uitgangspunt dat de toepassing van een zodanige standaardvoorwaarde in overeenstemming moet zijn met het wettelijke doel van de standaardvoorwaarden, en ook overigens niet in strijd mag komen met een wettelijke regeling of met een ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, waaronder in dat geval met name het evenredigheidsbeginsel. Dat uitgangspunt geldt echter niet voor de uitleg van artikel 15ai van de Wet, aangezien dat de interpretatie van een wet in formele zin betreft” Aldus de rechtbank. Over die interpretatie van een formele wet in relatie tot het evenredigheidsbeginsel zou je toch nog een robbertje over kunnen vechten, gezien de commotie omtrent de toeslagenaffaire.

Met een ten overvloede overweging in ro 19 geeft de rechtbank fijntjes aan dat de mazen, waartussen belanghebbende heeft willen zwemmen, toch echt terecht voor belanghebbende zijn gedicht. “Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het geval dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0417, zich onderscheidt van het geval van [belanghebbende] doordat in dat eerste geval geen sprake kon zijn van een fiscaal voordeel ter zake van de tegenwaarde van overgedragen stille reserves. Dat ligt anders in het geval van [belanghebbende], die de vermogensbestanddelen heeft teruggekocht, waardoor de fiscale boekwaarde van de vermogensbestanddelen voor [belanghebbende] per saldo aanzienlijk is verhoogd zonder dat het – afgezien van de toepassing van artikel 15ai van de Wet – te dien aanzien tot een afrekening van vennootschapsbelasting is gekomen bij [belanghebbende].”

Hoger beroep

Voor zover de interessante fiscale punten voor de rechtbank. Helaas dus in hoger beroep niet in geschil. Je zou dan bijna denken, dat belanghebbende, de 50% eigenaar van aandelen H BV heel wat feiten in hoger beroep erbij heeft verzonnen. De afwaardering van de exploitatievergunningen is er op gebaseerd, dat het ontbreken van deze vergunningen de waarde van de zeeschepen doet dalen. Geheel onterecht, omdat zij nooit hun waarde – wat dat ook mag zijn – hebben verloren. Zo is bij de overdracht van 50% aandelen in H BV aan koper geen woord gerept in de overeenkomst over de exploitatievergunningen. Ook zijn deze vergunningen op grond van taxaties altijd in de (heen en weer) overdrachten van de zeeschepen buiten het geschiljaar 2014 meegekomen. Eigenlijk zou je deze overdrachten buiten 2014 niet mee mogen nemen, maar zij werpen wel een licht op de geloofwaardigheid van de afwaardering in 2014. Het een en ander is uit de administratie van belanghebbende terug te vinden. Maar niet alleen verzonnen, ook zijn er feiten weggelaten. De tegenprestatie bij de verkoop van een schip slechts gedeeltelijk opgeven in een aangifte riekt naar het doen van een onjuiste aangifte. Maar dat speelt nu dus niet. Hoe is het toch mogelijk, dat een miljoenen bedrijf zo knullig omgaat met haar argumenten? De rechters volgen terecht alle argumenten van de inspecteur.

Cassatie?

Deze feitelijke uitspraak lijkt niet voor cassatie in aanmerking te kunnen komen. Dat is maar goed ook voor belanghebbende, omdat de Hoge Raad nog wel eens vervelend kan uithalen in feitelijke zaken.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *