Citaat Rinus Michels: “Iedereen weet dat de wedstrijd tegen Duitsland de echte finale was. Dit zullen we nooit, nooit, nooit vergeten.”

Taxlive 14/6/24 VNVandaag 14/6/24
Bron: Hoge Raad14-06-2024 21/04201 ECLI:NL:HR:2024:862

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2024:862

X is een in Duitsland gevestigd en naar Duits recht opgericht Immobilien-Sondervermögen en investeert, voor rekening en risico van zijn deelnemers, in onder andere in Nederland gelegen onroerende zaken. A is de beheerder en bewaarder van het fondsvermogen. In verband met de investeringen van X in Nederland wordt X aangemerkt als buitenlands belastingplichtig voor de VPB. X is het daar niet mee eens. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat X is aan te merken als een doelvermogen als bedoeld in art. 3 onderdeel c Wet VPB 1969. X en de staatssecretaris gaan in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof X ten onrechte heeft aangemerkt als doelvermogen. X heeft namelijk participatiebewijzen uitgegeven waarmee de fondsdeelnemers aanspraak kunnen maken op zijn vermogen. X is dan niet aan te merken als buitenlands belastingplichtig voor de VPB. Het gelijk is aan X. De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep van de staatssecretaris. Het oordeel van het hof dat X niet kan worden aangemerkt als een andere niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld als bedoeld in art. 3 onderdeel b Wet VPB 1969 is juist. De Hoge Raad verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis.

De HR in het arrest van januari 2020 heeft in antwoord op een zestal prejudiciële vragen over het fonds voor gemene rekening duidelijk aangegeven, dat een fonds niet als doelvermogen in de zin van artikel 3 Vpb (buitenlandse belastingplicht) kan worden aangemerkt, indien het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aan de houders ervan aanspraak geven op een aandeel in het vermogen van dit fonds.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2020:115

Het Hof heeft tevergeefs getracht het voorgelegde Duitse Sondervermögen – vergelijkbaar met het Nederlandse fonds voor gemene rekening – toch als doelvermogen aan te merken, ondanks de uitgifte van participatiebewijzen. Het Hof lijkt het laatste deel van de definitie van de HR over de aanspraak te willen toetsen. Het Hof is van oordeel dat slechts dan geen sprake is van een doelvermogen, indien bewijzen van deelgerechtigdheid zijn uitgegeven op basis waarvan het vermogen toebehoort aan de houders van de bewijzen van deelgerechtigdheid. In dat geval is er geen sprake van een afgescheiden vermogen. Volgens het Hof is dat bij belanghebbende niet het geval en wijst op de omstandigheid, dat belanghebbende een in Duitsland gevestigd en naar Duits recht opgericht Immobilien-Sondervermögen is. Hij wordt naar Duits burgerlijk recht aangemerkt als een afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid. De participatiebewijzen van belanghebbende zijn vrij overdraagbaar. De HR gaat niet in op het afgescheiden vermogen en is er kort over (ro 4.2.3). Belanghebbende heeft participatiebewijzen uitgegeven waarmee de fondsdeelnemers aanspraak kunnen maken op (telkens: een aandeel van) zijn vermogen. Belanghebbende kan dus niet als doelvermogen worden aangemerkt. Mogelijk, dat het Hof ook het LLC arrest voor ogen heeft gehad, waarin de HR de LLC voor Nederlandse fiscale doelen niet transparant is mede, omdat de onderneming van de LLC ook overigens in casu niet feitelijk voor rekening en risico van de participanten wordt gedreven. https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2006:AX2034

Maar nu gooit de stas het over een andere boeg en betoogt, dat belanghebbende buitenlands belastingplichtig is, als een niet in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening die een vergelijkbare functie vervult als een NV die beleggingsactiviteiten uitoefent (art 3, lid 1 letter b Vpb). De wetgever heeft soortgelijke open beleggingsfondsen niet in de heffing willen betrekken, maar is daar op teruggekomen door het fonds voor gemene rekening binnenlands belastingplichtig te maken. Maan met betrekking tot gelijksoortige niet in Nederland gevestigde open beleggingsfondsen dan wel fondsen voor gemene rekening in het algemeen heeft evenwel niet een vergelijkbare aanwijzing als buitenlandse belastingplichtige plaatsgevonden. Het moet worden aangenomen dat dergelijke fondsen evenmin onder art 3, lid 1 letter b Vpb vallen. Aldus de HR.

Interessant nu is de vraag of een in het buitenland gevestigd en naar buitenlands recht opgericht fonds voor Nederlands fiscale doeleinden nog met een fonds voor gemene rekening mag worden vergeleken. De HR zegt nu eigenlijk, dat buitenlandse vastgoedfondsen niet meer onder een Nldse heffing naar de winst vallen.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *