Citaat Marcus Tullius Cicero: “Het hoogste recht is dikwijls het grootste onrecht”

Taxlive 3/5/2022
Bron: Hoge Raad 29-04-2022 21/03893 ECLI:NL:HR:2022:671

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:671

Samenvatting

De echtgenoot van A overlijdt in 2006 en op dat moment vervalt het recht op lijfrente-uitkeringen. Desondanks geeft de dementerende A deze lijfrente tot en met 2013 als belast inkomen aan. In geschil is of het verzoek in 2018 van haar erven tot ambtshalve vermindering van de aanslagen over 2010 en 2011 terecht is afgewezen wegens het overschrijden van de vijfjaarstermijn. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk, maar verzuimt om dit voor 2010 in haar dictum te vermelden. De erven van A stellen in hoger beroep dat in 2015 voor 2013 ook al een verzoek om ambtshalve vermindering is gedaan, zodat de inspecteur had moeten begrijpen dat het verzoek ook op 2010 en 2011 zag.

Hof Den Haag (V-N 2021/48.1.1) oordeelt dat de enkele omstandigheid dat in het verzoek van 2015 is vermeld dat voor de aangifte is uitgegaan van gegevens van oude jaren en de lijfrente-uitkering in 2006 is stopgezet, hoefde voor de inspecteur geen aanwijzing te zijn dat de aanslagen vóór 2013 (ook) onjuist zijn en het verzoek daarom onmiskenbaar mede betrekking had op 2010 en 2011. Er was geen enkele aanleiding voor de inspecteur om op eigen initiatief de jaren vóór 2013 aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het beroep is ongegrond. De verschrijving in het dictum van de rechtbank wordt hersteld en de erven van A krijgen daarom wel het in hoger beroep geheven griffierecht terug. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Opmerking

In art 65 AWR is de regeling voor ambtshalve vermindering opgenomen. Deze regeling is voor alle middelen nader uitgewerkt in het Besluit fiscaal bestuursrecht $23. Het besluit is niet van toepassing op wetten die een eigen regeling voor ambtshalve vermindering kennen zoals de IB in art 9.6 IB jo art 45aa URIB. Dat laatste is het geval. De inspecteur beslist bij voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Deze rechtsingang bij de fiscale rechter kent de Vpb niet. De civiele rechter dient in dat geval over de inhoud te beslissen.

Zowel Rechtbank als Hof (rechter T. de Hek cs) geven de inspecteur gelijk. Het verzoek is niet binnen 5 jaar na het belastingjaar gedaan. En dan is het over en sluiten. Het staat er niet letterlijk in art 65, lid 1 AWR: “Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd.” Er is geen beperking in tijd gegeven. Wel dat de inspecteur kan en niet moet verminderen. Art 9.6 wijst op de regeling in art 45aa URIB en die laatste is dwingender en spreekt van ‘vermindert’. Het Bfb resp. art 45aa URIB beperkt de vermindering in tijd. Rechtszekerheid houdt een keer op. NB: de rechter kan zich alleen uitspreken over de ontvankelijkheid van het bezwaar; de inhoud van de ambtshalve vermindering is aan de civiele rechter ter beoordeling.

Niet duidelijk is waarom het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2013 ook is afgewezen als een niet ontvankelijk bezwaar door de rechtbank. Maar voor het Hof speelden slechts de jaren 2010 en 2011. En kennelijk, omdat er een fout in het dictum van de rechtbank voor het jaar 2010 is geslopen. Een technicality dus.

Het moet voor belastingplichtige niet moeilijk zijn om vanaf de jaren 2006 t/m 2013 aan te tonen, dat de uitkering vanaf 2006 is gestopt. Ook moet de belastingdienst in haar archief kunnen laten zien, dat in aangiften 2006 t/m 2013 wel of niet de uitkering is opgenomen. Afgezien van de toelichting op art 45aa URIB, dat de inspecteur daartoe niet is verplicht (ro 5.2.3). Kennelijk is belastingplichtige niet overtuigend genoeg geweest of heeft de belastingdienst de gearchiveerde aangiften niet kunnen terugvinden. Maar ook dan blijft, dat belastingplichtige te laat is met haar verzoek. Gesteld, dat belastingplichtige wel geslaagd zou zijn in haar bewijs, dat zij wel degelijk jarenlang over een fictieve uitkering belasting heeft betaald. Maar dit dus abusievelijk meer dan 5 jaar te laat heeft opgemerkt. Dan staat rechtszekerheid tegenover fiscale knevelarij. Dan ben ik benieuwd of de menselijke maatvoering (hardheidsclausule?) hier toch in het voordeel van belastingplichtige uitkomst had geboden.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.