Coöperatie als spartelende vis op het droge

Taxlive 02/02/2022
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-01-2022 (publicatie 31-01-2022) AWB 19/5910 ECLI:NL:RBZWB:2022:213

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:213

https://www.taxlive.nl/nl/documenten/vn-vandaag/terechte-winstcorrectie-voor-wmo-dienstverlener/

Samenvatting

X is een in 2016 opgerichte coöperatieve vereniging, die in 2017, 2018 en 2019 WMO-diensten levert aan een gemeente tegen een totale vergoeding van € 31.296.675. De lumpsum vergoedingen voor de betreffende jaren zijn respectievelijk € 9.722.103, € 10.524.309 en € 11.050.263. In haar eerste boekjaar (2016/2017) neemt X in haar VPB-aangifte een winstuitstelpost (voorziening ombuiging sociaal domein) op van € 310.215. In geschil is of de inspecteur dit terecht heeft gecorrigeerd door het belastbare bedrag op € 310.215 vast te stellen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X juridisch niet verplicht is om eventuele overschotten aan de gemeente terug te betalen. Partijen hebben alleen de intentie uitgesproken om in overleg tot een nadere bestemming te komen. In de vergoeding voor 2017 is geen vergoeding begrepen voor de in 2018 en 2019 te leveren prestaties. X kan in het eerste boekjaar ook geen voorziening vormen voor de toekomstige kosten van nieuwe buurtlocaties, het opleiden van medewerkers, het experimenteren met nieuwe vormen van dienstverlening en het opzetten van een cliëntenregistratiesysteem. Het beroep van X is ongegrond.

Opmerking

Een spartelende vis op het droge. Daar heeft eiser, een coöperatieve vereniging, veel weg van. De coöperatieve vereniging is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting op grond van de wet en in casu voor het lange boekjaar 2016/2017. Het resultaat is kennelijk niet geheel toe te rekenen als verlengstukwinst aan de achterliggende participanten, 8 stichtingen. Er blijft een winst van zo’n 3 ton over die op een of andere manier onbelast weggepoetst moet worden.

De eerste sparteling is het in stelling brengen van de zgn. zorgvrijstelling van art 5, lid 1 onderdeel c Vpb. Die moet ertoe leiden, dat onder voorwaarden winst uit gekwalificeerde zorgwerkzaamheden wordt vrijgesteld. Kennelijk heeft de inspecteur de vrijstelling bij bezwaar afgewezen. De gronden zijn niet bekend, omdat eiser van deze vrijstelling heeft afgezien en vervolgens een volgende sparteling heeft ingezet. Het kan zijn, dat – terecht – de onder de feiten genoemde werkzaamheden in de ogen van de inspecteur geen zorgwerkzaamheden zijn. Maar het kan ook zijn, dat de werkzaamheden wel kwalificeren, maar dat niet aan de voorwaarden van art 4 UB wordt voldaan, de zgn. winstbestemmingseis of winstklem in fiscale straattaal. De participanten zijn allen stichtingen, maar wellicht geen vrijgestelde lichamen in de zin van art 5, lid 1 onderdeel c Vpb, zoals geëist wordt in art 4 UB. Daarmee zouden gelden buiten de zorg geraken. Het is jammer, dat de praktijk daar nu niets van kan leren.

Een volgende sparteling die in de praktijk veel voorkomt is de terugbetalingsverplichting in de relatie met geldgevende gemeenten. Daardoor zou het overschot van 3 ton een verplichting zijn, die het fiscale resultaat niet zou raken. Maar de rechtbank (rechter Van der Vegt) ziet slechts de intentie om in overleg met de gemeente tot een nadere bestemming te komen van overschotten. Tot slot is een dergelijke verplichting niet als schuld op de balans opgenomen, maar is het bedrag van 3 ton opgenomen in de algemene reserves. Het een en ander doet denken aan de behandeling van een Reserve Aanvaardbare Kosten (RAK) van ziekenhuizen. Zie de conclusie van de AG

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2013:982

Een laatste sparteling is het opvoeren van een voorziening voor het bedrag van de winst. Dan is het interessant te weten hoe eiser het zgn. Baksteenarrest (HR 26 augustus 1998, nr. 33 417) wil toepassen in relatie tot het voorzieningenbesluit van de staatssecretaris.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:1998:AA2555

https://wetten.overheid.nl/BWBR0012141/2001-01-04

Maar ook daar zag eiser tenslotte geen brood in. Met zijn laatste ademstoot poneert hij de stelling, dat de pas in de pleitnota gespecificeerde kosten in de contractsjaren 2018 en 2019 aan het lange eerste boekjaar 2016/2017 moeten worden toegerekend; een soort anticipatiepost. Rechter Van der Vegt vertaalt de laatste sparteling toch als een beroep op een voorziening. Maar aangezien een band met 2017 ontbreekt en niet nader wordt onderbouwd, ziet de rechter niet in waarom deze kosten niet in 2018 en 2019 thuishoren.

Wellicht is er nog leven na de dood. Maar eiser kan zich nu maar beter stilhouden en afzien van hoger beroep.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.