Waarom geen vergrijpboete voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte?

Taxlive 3/4/2022
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-01-2022 (publicatie 04-02-2022) 20/00839 t/m 20/00842 ECLI:NL:GHARL:2022:488

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2022:1277&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aGHARL%3a2022%3a1277

Samenvatting

VPB. Fiscale beleggingsinstelling?

Belanghebbende, X bv, wordt in 2012 opgericht met als doel om te fungeren binnen een internationale belastingconstructie. X bv moet binnen de constructie fungeren als fbi. Naar aanleiding van een onderzoek stelt de inspecteur dat X bv geen fbi is en legt VPB-aanslagen op van € 199,2 mln en € 98,3 mln. De inspecteur overweegt daarbij dat X bv is opgericht om gebruikt te worden in een fiscale structuur waarbij niet-ingehouden dividendbelasting door een Amerikaans pensioenfonds desondanks zou worden teruggevraagd. Hierbij is een kunstmatige, circulaire, dividendstroom gecreëerd om een voordeel te genieten.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de feitelijke werkzaamheden van X bv niet bestonden uit het beleggen van vermogen en dat X bv voor de VPB-heffing ook niet is aan te merken als fbi. Het hof oordeelt dat X bv slechts een dienstverlenende rol heeft gespeeld binnen het tot stand brengen van een internationale belastingconstructie. Voor deze rol heeft X bv per saldo slechts een dienstverleningsvergoeding ontvangen. Het hof verlaagt de VPB-aanslagen naar belastbare bedragen van € 283.333 en € 141.667. Het doel van de constructie was om in het Verenigd Koninkrijk verhandelbare tax credits te creëren, zonder dat er door de bij de structuur betrokken partijen per saldo dividendbelasting zou worden afgedragen. Hiertoe zijn grote sommen geld overgeboekt tussen diverse entiteiten in verschillende landen overeenkomstig een vooraf uitgewerkt plan. X bv is hierbij onder andere in staat gesteld om voor een bedrag van € 1,1 mln aandelen te kopen in een kort daarvoor opgerichte Luxemburgse vennootschap terwijl daarbij al vaststond dat deze aandelen recht zouden geven op € 800 mln aan uit te keren dividend. Volgens het hof heeft X bv echter nimmer het economisch belang bij de aandelen in de Luxemburgse vennootschap en het dividend daarop verworven. De van de Luxemburgse vennootschap ontvangen dividenden hebben niet tot de belastbare winst van X bv behoord.

Opmerking

Door de Nederlandse implementatie van de Europese richtlijn Mandatory Disclosure Rules (MDR)/DAC6 moeten intermediairs en/of belastingplichtigen potentieel agressieve grensoverschrijdende fiscale constructies waarbij zij vanaf 1 jan 2021 betrokken zijn melden bij de Belastingdienst. Dit zijn fiscale constructies waarbij inwoners van verschillende landen zijn betrokken en die mogelijk gebruikt kunnen worden om belasting te ontwijken.

https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/intermediairs/content/mandatory-disclosure-rules-dac6

Nu de casus zich afspeelt in de periode 2012/2014 was die plicht er nog niet voor de gemachtigden van belanghebbende, X BV. In rechtsoverweging 4.2 is het Hof (rechters Verhagen/Van Kempen/Van Amsterdam) zeer duidelijk over de kwalificatie van de voorliggende constructie.

“De feiten laten naar het oordeel van het Hof geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende heeft meegewerkt aan een volstrekt kunstmatige structuur met als enige doel het creëren van in het Verenigd Koninkrijk verhandelbare tax credits, zonder dat er door de bij de structuur betrokken partijen per saldo dividendbelasting zou worden afgedragen. Teneinde de in het Verenigd Koninkrijk verrekenbare tax credits te verkrijgen zijn grote sommen geld overgeboekt tussen diverse entiteiten in verschillende landen overeenkomstig een vooraf uitgewerkt plan.”

Vanaf 1/1/2021 had gemachtigde een dergelijke agressieve structuur, waarbij een schending van buitenlandse fiscale verdragen een belangrijke rol speelt, voor moeten leggen aan de inspecteur op straffe van een hoge boete, als hij het niet zou doen.

Uit de uitspraak blijkt niet, dat er vooroverleg is geweest over deze casus. Maar het had wel op de weg gelegen van gemachtigde om een dergelijke casus aan de inspecteur voor te leggen. Met name voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Maar ook is er een verplichting om grensoverschrijdende afspraken te delen met het buitenland. De inspecteur zal dit ongetwijfeld hebben gedaan.

https://wetten.overheid.nl/BWBR0019737/2006-04-21/0?celex=31990L0435

Niet duidelijk is of de inspecteur bij de aanslagregeling een vergrijpboete heeft opgelegd. Het speelt in hoger beroep in ieder geval niet (meer). Maar gezien de bewoordingen van de rechters in hoger beroep zou een vergrijpboete voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften (geen FBI) terecht zijn geweest. Waarschijnlijk hebben partijen geprocedeerd onder een bepaalde afspraak. Jammer.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.