Inspecteur moet straks in hoger beroep wel beter opletten.

NDFR 23/2/2022
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-01-2022 (publicatie 15-02-2022) 19/6080 en 19/6081 ECLI:NL:RBZWB:2022:387

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:387

https://www.ndfr.nl/content/ECLI_NL_RBZWB_2022_387

Samenvatting

Belanghebbende is een houdstermaatschappij. Eind 2015 had de vennootschap een bedrag aan langlopende schulden van € 4.458.000. Ter zake van deze schulden heeft belanghebbende in 2015 € 400.021 aan rente in aftrek gebracht. De inspecteur heeft vragen gesteld omtrent de aftrekbaarheid van deze rente. Omdat de gevraagde stukken niet kwamen, heeft de inspecteur de aftrek gecorrigeerd. Omdat in de bezwaarfase niet de juiste stukken komen, wijst de inspecteur het bezwaar af. In beroep komt belanghebbende met nadere stukken waaronder leningsovereenkomsten van € 2.700.000, € 528.000 en € 700.000 met de heer Y. Op de eerste leningsovereenkomst (van 1 mei 2012) is een rentepercentage afgesproken van 7½%, doch met een korting van 1½% tot 31 december 2014. De duur van de overeenkomst is vijf jaren.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant (28 januari 2022, nr. 19/6080 en 19/6081) oordeelt dat hiermee aannemelijk is gemaakt dat aan belanghebbende leningen zijn verstrekt door de heer Y. Dat de bewoordingen van de overeenkomst niet geheel helder zijn, maakt daarbij niet uit. Dat er geen aflossingsschema is, of dat er geen afdoende zekerheid is, maakt het oordeel van de rechtbank evenmin anders. Uit de boekhouding van belanghebbende blijkt dat daadwerkelijk rente- en aflossingsbetalingen zijn gedaan en de bedragen corresponderen met hetgeen in de jaarrekening is opgenomen. Ook de later bijgeleende bedragen sluiten aan bij hetgeen in de jaarrekening en de achterliggende stukken is vastgelegd. Dat het een en ander niet schriftelijk is vastgelegd, acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang. De stelling van de inspecteur dat de heer Y slechts als stroman heeft gefungeerd en dat de leningsovereenkomsten niet op werkelijkheid zijn gebaseerd, is slechts een vermoeden dat de inspecteur niet nader kan onderbouwen.

Het beroep is gegrond. Omdat belanghebbende pas in beroep met de gevraagde stukken komt, is er geen ruimte voor enige proceskostenvergoeding. De noodzaak tot het instellen van beroep vloeide uitsluitend voort uit de handelswijze van belanghebbende.

Opmerking

Een BV kan gelden uitlenen of gelden inlenen. Bij het uitlenen van gelden (een vordering aan debetzijde van de balans) aan gelieerde partijen geldt de leer van de Hoge Raad over de onzakelijke lening neergelegd in de standaardarresten van 9/5/2008 en 25/11/2011. In die arresten wordt duidelijk gemaakt, wanneer er sprake is van een onzakelijke lening. In vervolgarresten heeft de Hoge Raad steeds meer ingevuld wat de gevolgen zijn van het bestaan van een onzakelijke lening.

Belangrijk is eerst vast te stellen of er sprake is van een lening. Kenmerk daarvan is een terugbetalingsverplichting. In die zin dat er geen sprake mag zijn van een schijnlening (bedoeld is geen lening), een deelnemerschapslening (lening neemt deel in de onderneming als ware het kapitaal) of een bodemloze putlening (aanstonds duidelijk bij verstrekking dat lening nooit wordt terugbetaald). In die gevallen is er sprake van een kapitaalverstrekking, geen lening. De ontvangen rente over die leningen is dan dividend en kan onder de deelnemingsvrijstelling vallen.

https://www.navigator.nl/thema/1022/de-onzakelijke-lening#:~:text=Van%20een%20onzakelijke%20lening%20is,onzakelijke%20lening%20is%20niet%20aftrekbaar.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2008:BD1108

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2011:BN3442

Bij het inlenen van gelden (een schuld aan de creditzijde van de balans van de BV) zou – bezien vanuit de schuldeiser – er geen verschil moeten zijn met de eisen neergelegd in de leer van de Hoge Raad voor de vordering. Immers, de schuldeiser is de vader van de middellijk aandeelhouder van de belanghebbende. Een gelieerdheid dus. Maar van die toetssteen is in de uitspraak van de rechtbank (rechters Van der Vegt/Cosijn) niets te vinden. Te elfder ure tijdens de beroepsprocedure overgelegde jaarrekeningen, waaruit de geldstromen zijn af te leiden, zijn voor de rechters voldoende om het bestaan van de lening aan te nemen. Voor een deel vastgelegd in een niet foutloze schriftelijke overeenkomst en voor een deel kennelijk mondeling. De rechters overwegen in ro 4.3 aldus:

“… Ook de omstandigheden dat een aflossingsschema ontbreekt en dat de verstrekte zekerheid niet afdoende zou zijn, maken niet dat geen sprake zou zijn van een lening. Uit de overgelegde bescheiden uit de boekhouding van belanghebbende maakt de rechtbank op dat daadwerkelijk rente- en aflossingsbetalingen aan [heer Y] zijn gedaan, deze boekingen komen overeen met hetgeen in de jaarrekening is neergelegd. Ten aanzien van de betaalde rente heeft belanghebbende grootboekrekeningen overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde uiteengezet dat de daadwerkelijke betaalde rentelasten uit de administratie volgen, dat deze boekingen zijn geverifieerd en dat het eindsaldo aansluit met de bankafschriften. Ook de bijgeleende bedragen van € 600.000 in 2013 en € 510.000 in 2014 sluiten aan bij hetgeen in de jaarrekeningen van 2014 en 2015 en de achterliggende stukken is neergelegd. De rechtbank acht aannemelijk dat deze bedragen zijn bijgeleend onder dezelfde voorwaarden als de lening van 1 mei 2012. Dat een en ander niet schriftelijk is vastgelegd, maakt dit oordeel niet anders.”

Dit is toch wel een zienswijze van de rechters, waarop valt af te dingen. De inspecteur heeft duidelijk twijfels over de realiteit van de geldstromen. Dat met de mantel der liefde – immers op grond van een toelichting ter zitting – de geldstromen in de boekhouding te volgen zijn, betekent nog niet dat de geldstroom ook echt bestaat. Laat staan dat er een terugbetalingsverplichting is. Kennelijk hebben de rechters hun oordeel verder gebaseerd op de mondelinge toelichting zoals over de bankafschriften. De rechters erkennen dat de inspecteur min of meer is overvallen door de verstrekte info. Het lijkt erop, dat de inspecteur de toelichting niet heeft weersproken. Tja, maar dan is het een feit geworden.

De inspecteur had subsidiair ook kunnen inbrengen, dat – mocht er wel een geldverstrekking zijn – er geen sprake is van leningen, maar van kapitaal. Daarmee zou de renteaftrek ook zijn tegengehouden. Immers, de gelden zijn verstrekt door de schuldeiser, omdat de dochtermaatschappij van belanghebbende liquiditeiten nodig had en banken niet bereid waren te financieren. Daarmee had wellicht de bodemlozeputgedachte uit de leer van de onzakelijke lening in stelling gebracht kunnen worden. Immers, er waren verliezen bij belanghebbende.

Het is natuurlijk knullig van de inspecteur, dat hij zonder enige onderbouwing het vermoeden uit, dat de schuldeiser een stroman is. Althans, er is in de uitspraak niet opgenomen wat de inspecteur verder heeft ingebracht als steun voor dit vermoeden. Maar dan nog is het de vraag wat de inspecteur had willen bereiken: met de stroman gedachte ontkracht je niet dat de geldverstrekking bestaat.

Al met al een uitspraak die in hoger beroep door een minder welwillende rechter mogelijk een andere uitkomst krijgt. Het zou niet de eerste keer zijn. Het is te hopen, dat de inspecteur dan wel een beter verhaal heeft.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.