Citaat Youp van ‘t Hek: “Ik verdien goed mijn brood. Ik verdien zelfs zoveel brood, dat ik een deel zou kunnen beleggen”

Taxlive 28/5/24 VNVandaag 27/5/24

https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg21120249-omgekeerd-hybride-lichaam-en-uitzondering-alternatieve-beleggingsinstelling

Een alternatieve beleggingsinstelling (abi) als bedoeld in de AIFM-richtlijn valt niet per definitie onder het bereik van de bepaling van art. 2 lid 13 Wet VPB 1969, ongeacht de gekozen beleggingsvorm en beleggingsstrategie. Een abi dient tevens te voldoen aan de vereisten uit genoemd artikel. Dat staat in een standpunt van de Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen.

In de voorgelegde casus wordt een naar Nederlands recht opgerichte transparante besloten cv met een Nederlandse fondsbeheerder als beleggingsvehikel ingezet in een op te zetten fondsstructuur. De besloten cv kwalificeert als abi op grond van art. 4 lid 1 onderdeel k van Richtlijn 2011/61/EU van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (AIFM-richtlijn). De cv wordt door de staat waar de participanten zijn gevestigd als niet-transparant aangemerkt en is dientengevolge een omgekeerd hybride lichaam in de zin van art. 2 lid 12 Wet VPB 1969, tenzij aan de vereisten wordt voldaan van art. 2 lid 13 Wet VPB 1969.

Als een abi voldoet aan de vereisten van art. 2 lid 13 Wet VPB 1969 dan volgt daarnaast uit de verwijzing naar art. 4 lid 5 onderdeel b AWR niet dat het begrip ‘beleggen’ een aanvullende toets is. Met de verwijzing naar art. 4 lid 5 AWR wordt enkel beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van een abi in de zin van de AIFM-richtlijn. Voor de toepassing van art. 2 lid 13 Wet VPB 1969 hoeft geen afzonderlijke beleggingstoets te worden aangelegd.

De belastingplicht voor de Vpb van het omgekeerde hybride samenwerkingsverband deed zijn intrede op 1/1/2022 in art 2, lid 12 Vpb. Een implementatie van de Europese richtlijn ATAD2 in de strijd tegen hybride mismatches van belastingverdragen als uitvloeisel van in het project BEPS van de OESO tegen belastingontwijking. Met name gericht tegen de BV/CV structuur die toen in zwang was in de fiscale relatie tussen de USA en NL. Kenmerk in die structuur is, dat NL de winst in de transparante CV (op grond van de Nldse wet) toerekent aan haar Amerikaanse aandeelhouders en dat Amerika de heffing over de winst in de niet transparante CV (vanwege de keuze/check-the-box regeling) uitstelt van heffing. Resultaat: de winst wordt nergens belast, de zgn. CV op zee was geboren: de omgekeerde hybride samenwerkingsverband. Omgekeerd, omdat beide staten naar elkaar wijzen voor de heffing. Deze hybride mismatch

Art 2, lid 12 Vpb voorkomt deze niet-heffing door dit samenwerkingsverband in de Vpb heffing te betrekken. Voor de geschiedenis ervan is het goed om de MvT te lezen op dit artikel.

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/dossier/kst-35931-3.html#:~:text=In%20de%20memorie%20van%20toelichting,aanmerking%20komen%20voor%20een%20woonplaatsverklaring.

In ATAD2 wordt het collectieve beleggingsfonds niet als omgekeerd hybride samenwerkingsverband genoemd. De wetgever heeft in art 2, lid 13 Vpb deze uitzondering beperkt tot de in art 4 AWR benoemde icbe (instelling voor collectieve belegging in effecten) en abi (alternatieve beleggingsinstelling). De kennisgroep heeft nu antwoord gegeven op de vraag of een abi die voldoet aan de voorwaarden in art 2, lid 13 Vpb toch nog een aparte beleggingstoets moet ondergaan.

Na een doorwrochte zoektocht in de parlementaire historie, ook Europees, en na lezing van de tekst van het artikel komt de kennisgroep tot de conclusie, dat dat niet hoeft. Ook omdat een aparte beleggingstoets niet als eis wordt genoemd. Hoewel de conclusie naar mijn mening terecht is, denk ik niet dat het ontbreken van een eis niet de doorslag mag geven.

In theorie kan het niet onder de uitzondering in art 2, lid 13 Vpb genoemde besloten fonds voor gemene rekening als omgekeerd hybride lichaam belastingplichtig zijn. Maar de kennisgroep lijkt in de nabrander daar anders over te denken: “als de besloten cv een fonds voor gemene rekening is op grond van artikel 2, lid 4 Vpb wordt er niet meer toegekomen aan artikel 2, lid 12 en 13 Vpb.” Maar art 2, lid 3 gaat wel voor lid 4. Dus een andere visie zou best mogelijk kunnen zijn

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *