Maar beroep op ontbreken economische eigendom bij fiscale eenheid Vpb na arrest Hoge Raad is zo gek nog niet.

NDFR 7/2/22
Bron: Rechtbank Den Haag 09-12-2021 (publicatie 18-01-2022) AWB – 20 _ 2453 ECLI:NL:RBDHA:2021:15110

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15110

Bron: Hoge Raad 14-04-2017 15/02201 ECLI:NL:HR:2017:676

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:676

Samenvatting

BV. verzoekt om renteaftrek in verband met een lening aan Y N.V. Rechtbank Den Haag oordeelt dat X B.V. terecht aangifte heeft gedaan als fiscale eenheid. X B.V. heeft geen recht op aftrek van rente in verband met de lening van Y N.V. omdat de Hoge Raad in een andere zaak heeft geoordeeld dat de rentekosten van X. B.V. moeten worden aangemerkt als kosten van een door twee particuliere personen gedreven onderneming. Het beroep is gegrond omdat een gedeelte van de rente ziet op rente betaald aan een bank.

HR rechtsoverweging 2.5.2.

Uit de hiervoor in 2.1 vermelde feiten en ’s Hofs hiervoor in 2.4 vermelde, in cassatie tevergeefs bestreden, oordelen volgt dat de kosten en baten van [C] , [LL] en [BBB] moeten worden aangemerkt als kosten en baten van de (mede) door belanghebbende gedreven onderneming. Dit brengt mee dat ter zake van de tussen deze lichamen onderling verrichte transacties in fiscaal opzicht geen winsten en verliezen worden gerealiseerd. Dat geldt zowel voor de hiervoor in 2.1.10 genoemde winst van [C] als voor de rente die door [BBB] is betaald op de door haar schuldig gebleven koopsom. Het vijfde middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling.

RB rechtsoverwegingen

Beoordeling van het geschil

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de belastingheffing over de jaren 2002 tot en met 2005 terecht met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Wet plaatsgevonden, met eiseres als moedermaatschappij en [B.V. 2] , [B.V. 4] en [B.V. 5] als gevoegde dochtermaatschappijen. Uit de akte van levering van de aandelen [B.V. 2] volgt dat eiseres zowel de juridische als de economische eigendom van de aandelen D.B.V. heeft verkregen. Op verzoek van eiseres heeft verweerder vervolgens een fiscale eenheidsbeschikking afgegeven waarbij eiseres moedermaatschappij is en D B.V, [B.V. 4] en [B.V. 5] de gevoegde dochtermaatschappijen zijn en eiseres heeft als zodanig aangifte gedaan. Eiseres heeft zich tot en met 2019 ook steeds gedragen als economisch eigenaar van de aandelen [B.V. 2] en (indirect) van de aandelen [B.V. 4] en [B.V. 5] Gelet op het standpunt van eiseres en de hiervoor genoemde omstandigheden, ligt het op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zij in de jaren 2002 tot en met 2005 niet de economische eigendom van de genoemde dochtermaatschappijen had. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Eiseres heeft voor haar standpunt geen bewijs overgelegd. Uit het arrest volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres niet de economische eigendom van de aandelen [B.V. 2] had, of dat [B.V. 2] niet de volle eigendom van [B.V. 4] en [B.V. 5] had. Het arrest ziet enkel op de in het arrest genoemde specifieke transacties en is gewezen voor de inkomstenbelasting. Het standpunt van eiseres dat uit dit arrest volgt dat er geen fiscale eenheid kon worden gevormd, berust op een onjuiste lezing dan wel te ruime uitleg van het arrest.

12. In het arrest heeft de Hoge Raad in r.o. 2.5.2. geoordeeld dat de kosten en baten van [N.V. 1] , [N.V. 3] . en eiseres moeten worden aangemerkt als kosten en baten van de (mede) door [G] gedreven onderneming en dat dit meebrengt dat ter zake van de tussen deze lichamen onderling verrichte transacties in fiscaal opzicht geen winsten en verliezen worden gerealiseerd. Dat geldt zowel voor de in r.o. 2.1.10 van het arrest genoemde winst van [N.V. 1] als voor de rente die door eiseres is betaald op de door haar schuldig gebleven koopsom.

13. Aangezien de in geschil zijnde rente specifiek in het oordeel van de Hoge Raad is betrokken, heeft het arrest in zoverre wel invloed op de vennootschapsbelastingpositie van eiseres. Gelet op hetgeen in r.o. 2.5.2 van het arrest is geoordeeld, is de rentelast voor eiseres non-existent. De rente die door eiseres is betaald aan X B.V. behoort, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, tot de kosten van de (mede) door [G] gedreven onderneming en heeft geen invloed op het resultaat van eiseres. Het standpunt van eiseres dat dit slechts 50% van de rente kan treffen omdat het arrest alleen ziet op [G] en niet op [F] , volgt de rechtbank niet.

[F] heeft niet doorgeprocedeerd tot aan de Hoge Raad, maar er bestaat geen aanleiding aan te nemen dat het oordeel in zijn zaak anders zou hebben geluid. Gelet hierop heeft verweerder terecht de renteaftrek in verband met de leningsovereenkomst gecorrigeerd.

14. Voor de door eiseres bestreden correctie van € 10.940 voor het jaar 2004 geldt dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag ten onrechte is gecorrigeerd. Uit een door verweerder overgelegde bijlage2 volgt dat een bedrag van € 193.150 ziet op de rente die in het jaar 2004 door eiseres aan [N.V. 3] . is betaald in verband met de leningsovereenkomst terwijl verweerder € 204.090 heeft gecorrigeerd. Eiseres heeft al in haar beroepschrift het standpunt ingenomen dat van het bedrag van € 204.090 een bedrag van € 10.940 ziet op rente betaald aan [bankinstelling] .

Verweerder heeft pas ter zitting hierop gereageerd. Zijn enkele stelling dat het voor hem niet duidelijk is of dat bedrag aan [bankinstelling] is betaald, acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel.

Opmerking

Het lijkt een een-tweetje van de rechtbank (rechter Postema c.s) over de non-existente rente. Dus een renteaftrek ex art 10a Vpb is ook non-existent. Maar een interessant argument van de BV, de eiser, wordt terzijde geschoven. Eiser beroept zich erop, dat de HR haar een handvat heeft gegeven om te wijzen op het ontbreken van de economische eigendom bij het aangaan van de fiscale eenheid in de geschiljaren. Echter, het ontbreken van de economische eigendom van de aandelen van de dochters bij het aangaan van de fiscale eenheid op basis van overwegingen van de HR in een casus over de structuur, waar eiser onderdeel van uitmaakt, berust op een onjuiste lezing van het arrest, aldus de rechtbank. Dus de fiscale eenheid heeft altijd bestaan. De BV wilde door het ontbreken van de fiscale eenheid de resultaten van de dochters buiten het resultaat van de BV houden. De rechtbank werpt eiser tegen, dat zij vanaf het begin van de fiscale eenheid in 2002 altijd als een fiscale eenheid aangifte heeft gedaan t/m 2019. Dat is echter niet zo onlogisch. Het arrest dateert uit 2017 en had een lange looptijd. Pas vanaf het arrest heeft eiser zich kunnen beraden over de gevolgen voor de fiscale eenheid. Dat daarna de aangiften toch zijn gedaan met voortzetting van de fiscale eenheid zal tot aan de uitspraak op bezwaar in 2020 waarschijnlijk onderwerp van geschil zijn geweest.

Interessant is de vertaling van de HR door eiser. Laten we uitgaan van de constatering door de rechtbank, dat de HR de kosten en baten van eiser heeft aangemerkt als kosten en baten van door een derde gedreven onderneming en dat dit meebrengt dat ter zake van de tussen deze lichamen onderling verrichte transacties in fiscaal opzicht geen winsten en verliezen worden gerealiseerd. Eiser vertaalt dit als het ontbreken van het economische eigendom van de aandelen in de (klein)dochters. Valt daar niets voor te zeggen? Het economische eigendom van en object kenmerkt zich door het voor rekening en risico toerekenen van waardeveranderingen van het object aan de economische eigenaar. Het tenietgaan van het object hoort daar ook bij. De juridische eigenaar is daarvan uitgesloten. Het juridische eigendom van aandelen is de ‘verpakking’. Bij het economische eigendom gaat het om de ‘inhoud’. De ratio van art 15 Vpb fiscale eenheid is, dat zowel de verpakking als de inhoud van de dochtermaatschappij over gaat naar de aandeelhouder/moeder maatschappij. De inhoud bestaat uit de transacties die baten en kosten opleveren voor de dochtermaatschappij. Bij het aangaan is de moedermaatschappij ervan uitgegaan, dat die activiteiten het economisch eigendom vertegenwoordigen van de aandelen in de (klein)dochters. Mocht de moeder daarvan uitgaan en heeft de HR daarna deze activiteiten toegewezen aan een derde of waren er nooit activiteiten die de (klein)dochters aangaan? Bij het eerste is – denk ik – het economische eigendom niet meegekomen met het juridische eigendom. De fiscale eenheid kan dan niet tot stand komen. In het tweede geval is de economische eigendom wel meegekomen, maar is altijd nihil geweest. Dan is de fiscale eenheid wel tot stand gekomen.

Jammer, dat de rechtbank zich niet wat meer uitlaat hierover. Misschien durft eiser het aan om in hoger beroep te gaan.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.