Hoge Raad, blijf bij je leest. Laat de feiten aan de feitenrechter.

Taxlive 25/3/2022
Bron: Hoge Raad 25-03-2022 19/05929 ECLI:NL:HR:2022:438

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2022:438&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aHR%3a2022%3a438#_9bd0cd1b-1e32-40dc-808c-60523af45dd4

Samenvatting

Omzetbelasting; art 4, lid 2, letter a, van de Wet OB; art. 26 BTW-richtlijn 2006; aankoop recreatiewoning voor verhuur aan derden en voor eigen gebruik; begrip privégebruik; omzetbelastingtarief

X is eigenaar van een recreatiewoning, die voor de BTW als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd. De woning wordt gebruikt voor de verhuur, via een bemiddelingsbureau, maar ook voor privégebruik. In 2011 wordt de woning tien dagen verhuurd, in 2012 61 dagen en in 2013 103 dagen. In die jaren gebruikt X de woning zelf 73 dagen. In geschil is hoe de toerekening van de periode van leegstand voor de BTW moet plaatsvinden. De inspecteur gaat in zijn berekening voor het privégebruik uit van de dagen dat de woning in gebruik was, X stelt dat in de berekening moet worden uitgegaan van 365 dagen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de woning bij leegstand zowel voor privégebruik als voor zakelijk gebruik ter beschikking staat aan X. Daarbij is van belang dat in de beheer- en verhuurovereenkomst expliciet is opgenomen dat X bij leegstand de mogelijkheid heeft om zelf gebruik te maken van de woning en dat beide vormen van gebruik ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het gelijk is aan de inspecteur. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de perioden van leegstand van de recreatiebungalow niet zijn aan te merken als perioden waarin de woning voor privédoeleinden ter beschikking staat aan X. Gezien de uit de beheer- en verhuurovereenkomst voortvloeiende beperkingen, kan X de woning niet meteen zelf gebruiken. X heeft de recreatiewoning op zodanige wijze aan het bureau beschikbaar gesteld dat hij zelf buiten de perioden waarin hij de recreatiewoning daadwerkelijk voor zichzelf en/of zijn gezinsleden beschikbaar houdt, niet op elk moment naar eigen goeddunken kan beschikken over de recreatiewoning. De Hoge Raad verwerpt wel de stelling van X dat het verlaagde BTW-tarief van toepassing is. De Hoge Raad vermindert de naheffingsaanslagen.

Opmerking

De Hoge Raad oordeelt, dat het Hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de beheer- en verhuurovereenkomst tussen de BV (beheerder van de recreatiewoning) en belanghebbende (eigenaar van de recreatiewoning voor verhuur aan derden) niet juist gelezen. Als gevolg daarvan trekt het Hof volgens de Hoge Raad de onjuiste conclusie, dat belanghebbende niet wordt beperkt om bij leegstand gebruik te maken van de recreatiewoning voor eigen verblijf (privédoeleinde).

Tja, bij rechtsopvatting denk ik aan de toepassing van een rechtsregel. De fiscale uitkomst van die toepassing hangt af van het complex van feiten. Over de rechtsregel(s) is volgens mij geen discussie. Maar wel hebben Hof en Hoge Raad een andere interpretatie van het feitencomplex.

Dan vraag ik mij af of het Hof als feitenrechter het complex van feiten nu zo onjuist heeft geduid, dat het het oordeel van het Hof niet kan dragen. Oftewel dat het Hof gebrekkig heeft gemotiveerd (een cassatiegrond). De verwijzing van het Hof naar Europees rechtspraak lijkt mij een begin van motivering voor een oordeel. Maar de Hoge Raad maakt daar geen woorden aan vuil. Dan is de daaropvolgende feitelijke toets door de Hoge Raad, namelijk de interpretatie van de overeenkomst, niet te volgen. Het is immers aan de feitenrechter de feiten te duiden.

We zien wel vaker dat de Hoge Raad zonder enige waarschuwing op de stoel van de feitenrechter gaat zitten. Daarmee lijkt er een derde feitelijke instantie te ontstaan. Daarvoor is juist de appelrechter in 2004 in de AWB in het leven geroepen. Hoge Raad, blijf bij je leest!

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.