Belastingbesparing Box3 via SPF Antillen is niet zo eenvoudig.

Taxence 26/11/2021
Taxlive 25112021
Bron: Gerechtshof Amsterdam 12 oktober 2001 19/01652 (gepubliceerd 24 november 2021), ECLI:NL:GHAMS:2021:3596, https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:3596

Art. 2.14a lid 7, van de Wet IB 2001 is niet van toepassing. De inspecteur heeft terecht het bedrag van € 135.000 gerekend tot de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Erflater Q richt op 30 december 2012 de SPF op, naar het recht van Curaçao, en brengt € 135.000 in de SPF in. Het vermogen van de SPF bestaat uit een tegoed op een bij een bank aangehouden rekening. In 2015 honoreert de Inspectie der directe belastingen te Curaçao het verzoek van de SPF om te worden aangemerkt als een doelvermogen. In geschil is of de bezittingen van de SPF moeten worden aangemerkt als bezittingen van Q. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de SPF weliswaar moet worden aangemerkt als een APV in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001, maar dat de toerekeningsstop van het zevende lid van dat artikel van toepassing is. De inspecteur gaat in hoger beroep.

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur het vermogen van de SPF terecht tot de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van Q heeft gerekend. Volgens de rechtbank is Q, ondanks de storting van gelden op de bankrekening op naam van de SPF, de beschikking blijven behouden over het geld als ware het zijn eigen vermogen. Verder is het hof van mening dat vanaf de oprichting van de SPF het essentiële discretionaire karakter van de rechtsfiguur heeft ontbroken, mede door de vele petten die de gemachtigde op heeft. Zo is hij niet alleen gemachtigde maar ook een van de erven van Q en executeur-testamentair van diens nalatenschap. Verder heeft hij niet alleen uit naam van Q de SPF ingesteld, maar was hij daarvan ook nog bestuurder. Ook was hij nog bewindvoerder van Q en heeft hij in zijn naam de ‘letter of wishes’ van de SPF ondertekend. Verder was hij één van de begunstigden van de SPF. Het gelijk is aan de inspecteur.

Opmerking.

Veel adviezen van broodschrijvers om Box3 te omzeilen is om het geld op je bankrekening op peildatum elders te parkeren. Zoals in een oude sok stoppen of gewoon een grote uitgave naar voren te halen. Zoals de betaling van je ziektekostenpremie over een jaar ineens. Maar bij een substantieel bedrag kan je overwegen om een Stichting Particulier Fonds (SPF) naar het recht van de Antillen op te richten. Zoals in deze casus is gebeurd. Maar dan moet je de SPF wel zo inrichten dat de beschikkingsmacht over het geld wel degelijk bij de SPF ligt – discretionair dus.

Bij de RB was niet in geschil, dat de APV (afgezonderd particulier vermogen) regeling van art 2.14a IB van toepassing is. Maar anders dan de inspecteur ging de rechtbank niet mee in zijn gedachte dat het vermogen in de SPF als APV moet worden toegerekend aan de insteller. De zgn. toerekeningsstop was namelijk van toepassing. Omdat de SPF is onderworpen aan een reële Antilliaanse winstbelasting. Ook al lijdt de SPF verlies. Dat laatste lijkt mij een rechtsvraag voor de hoogste rechter. Maar daardoor verloren de erfgenamen wel de beschikkingsmacht over het vermogen in de SPF.

In hoger beroep gooit de inspecteur het over een iets andere boeg. Art 2.14a IB is helemaal niet van toepassing. Vanaf de oprichting van de SPF heeft de beschikkingsmacht altijd gelegen bij de erfgenamen als ware het hun eigen vermogen. Vanwege de fiscale transparantie is art 2.14a Wet IB 2001 niet in beeld omdat het essentiële discretionaire karakter van de rechtsfiguur ontbreekt.

De inspecteur krijgt de appelrechter nu wel aan zijn zijde. De rechtsoverweging:

5.3.4 …. Daardoor heeft vanaf de oprichting van de SPF het essentiële discretionaire karakter van de rechtsfiguur ontbroken. Aan de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 wordt in dat geval niet toegekomen. Dit betekent dat ondanks de oprichting van de SPF en de storting van gelden op de bankrekening van die SPF de oprichter (belanghebbenden) heeft (hebben) kunnen blijven beschikken over die gelden als ware het zijn (hun) eigen vermogen (vlg HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:212, BNB 2021/99, r.o. 2.4.2). Dat, naar belanghebbenden stellen, ten tijde dat de gemachtigde bestuurder was van de SPF, geen uitkeringen zijn gedaan, is in dit verband niet van belang (vgl HR 17 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7646, BNB 1987/247). De inspecteur heeft daarom terecht die gelden, meer specifiek het bedrag van € 135.000, tot de rendementsgrondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen gerekend. Het andersluidende standpunt van belanghebbenden faalt. Hiermee behoeven de overige door de inspecteur ingenomen standpunten geen behandeling meer.

Deze rechtsoverweging dat art 2.14a IB niet van toepassing is zou wel eens aan de hoogste rechter voorgelegd kunnen worden. Je vraagt je wel eens af wat het nut van de tweede feitelijke instantie is. In dit geval heeft de inspecteur niet andere feiten aangedragen, maar beroep gedaan op een andere rechtstoepassing. De vraag dan is of de inspecteur dit heeft mogen doen, nu de RB in eerste instantie heeft vastgesteld dat partijen eens zijn, dat art 2.14a IB van toepassing is. Niet is bekend of belanghebbende cassatie heeft ingesteld.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.