“Wie de baas is over zichzelf, hoeft zich niet te meten met anderen” “Confucius”.

Taxlive 18/6/26 VNVandaag 18/6/26
Bron: Hoge Raad 18-09-2026 25/02601 ECLI:NL:HR:2026:1492

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:1492

Aan X wordt een naheffingsaanslag BPM opgelegd wegens registratie van een uit Italië afkomstige personenauto. Hof Amsterdam vermindert de naheffingsaanslag maar verwerpt daarbij de Unierechtelijke grieven van X. In cassatie stelt X dat het hof het Unierecht onjuist heeft uitgelegd, omdat het hof zich baseert op rechtspraak van de Hoge Raad zonder prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU.

De Hoge Raad oordeelt dat gerechtshoven het Unierecht mogen uitleggen op basis van rechtspraak van de Hoge Raad, zelfs wanneer de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te hebben gesteld. Uit HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, V-N 2026/28.15 (r.o. 3.7.2 en 3.7.3) volgt buiten redelijke twijfel dat art. 267 alinea 3 VWEU hieraan niet in de weg staat. Het hof mocht de grieven van X dus verwerpen zonder prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De grieven van X dat het hof de ISV heeft berekend op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad en de proceskostenvergoeding met toepassing van het Bpb kunnen niet tot cassatie leiden (art. 81 RO). De Hoge Raad ziet ook geen aanleiding om over deze onderwerpen prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen en verwijst daarbij naar HR 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, ro. 2.3.1 t/m 2.4.6 (ISV) respectievelijk HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, r.o. 4.8.2 t/m 4.10.6 (proceskostenvergoeding). Het cassatieberoep van X is ongegrond.

Who’s the boss? De Hoge Raad dus.

Alleen de nationale rechter, waarvan de uitspraak geen hoger beroep kent is verplicht prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, als de zaak om een uitleg van het Unierecht vraagt of een verzoek door een partij wordt gedaan om de vraag voor te leggen. In dit geval is beroepsmogelijkheid aanwezig tot aan de Hoge Raad.

In deze zaak wordt X een naheffingsaanslag BPM opgelegd wegens registratie van een uit Italië afkomstige personenauto. Na vermindering door het Hof op grond van jurisprudentie van de HR stelt belanghebbende, dat het Hof dat heeft gedaan op onjuiste gronden, omdat er geen prejudiciële vraag is gesteld aan het Hof van Justitie.

De Hoge Raad oordeelt dat gerechtshoven het Unierecht mogen uitleggen op basis van rechtspraak van de Hoge Raad, zelfs wanneer de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te hebben gesteld. Volgens de HR in zijn arrest van 12/6/2026 is dat niet in strijd met het unierecht (art. 267 alinea 3 VWEU). Daarbij maakt de HR nog eens duidelijk wie de baas is:

“De prejudiciële procedure is een samenwerkingsinstrument tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie, waarbij uitsluitend de nationale rechter de noodzaak of wenselijkheid van het stellen van prejudiciële vragen beoordeelt.“

Hier lijkt ook het territorialiteitsbeginsel door te schemeren. Of soevereiniteit als je een beladen woord wilt gebruiken. Interessant wordt het als belanghebbende toch een aparte procedure start bij het Hof van Justitie over deze soevereiniteit, waarbij de visie van de Hoge Raad wordt verworpen.

Saillant detail is, dat de HR binnen de nationale rechtspleging een oproep doet aan de lagere rechters om toch vooral niet te schromen om prejudiciële vragen voor te leggen.

https://www.hogeraad.nl/prejudiciele-vragen/prejudiciele-vragen

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *