“De kritiek is gemakkelijk; want een aanval met één enkel woord vereist bladzijden tot verdediging” (Jean-Jacques Rousseau).

Taxlive 18/6/26 VNVandaag 18/6/26
Bron: Hoge Raad 18-09-2026 25/02827 ECLI:NL:HR:2026:1415

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:1415

In een procedure over een BPM-naheffingsaanslag kent Rechtbank Den Haag X een ISV toe van € 500. X stelt in hoger beroep en cassatie dat jurisprudentie van het EHRM recht geeft op een vergoeding van € 1500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt.

De Hoge Raad oordeelt dat de EHRM-rechtspraak niet eist dat de nationale compensatiebedragen bij overschrijding van de redelijke termijn gelijk zijn aan die van het EHRM zelf. Lidstaten hebben ruimte om hun eigen regels te hanteren, zolang het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel niet worden geschonden. De Nederlandse ISV-systematiek is volgens de Hoge Raad in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM. Het algemene uitgangspunt dat de redelijke termijn in eerste aanleg twee jaar is, is verenigbaar met art. 47 Handvest mits de rechter gemotiveerd hiervan kan afwijken (vgl. HR. 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, V-N 2026/28.15, ro. 3.5.2 t/m 3.5.4 en r.o. 3.6.1). De rechtspraak van zowel het HvJ EU als het EHRM biedt ook ruimte voor het hanteren van een vast tarief van € 500 per half jaar termijnoverschrijding met een bagatelgrens van € 1000 bij overschrijdingen van hooguit 12 maanden en de mogelijkheid om bij uitzonderlijke gevallen een hogere vergoeding toe te kennen. Verder oordeelt de Hoge Raad dat het Unierecht niet eist dat een belanghebbende altijd mondeling wordt gehoord voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Als een belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk te reageren en hij, zonder daarover te hebben geklaagd, in redelijkheid van die mogelijkheid gebruik heeft kunnen maken, is dat voldoende. Nu X die schriftelijke gelegenheid heeft gehad, en hiervan zonder een reden te geven geen gebruik heeft gemaakt, heeft de inspecteur het verdedigingsbeginsel niet geschonden. Het cassatieberoep van X is ongegrond.

Lezenswaardig is het opfrissertje van de HR in ro 2.4.1 t/m 2.4.5 over hoe de immateriële schadevergoeding (in de volksmond isv genoemd) is ontstaan. Het is dus rechtersrecht.

De HR wijst op zijn beginselarrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, waarin hij invulling heeft gegeven aan art 57 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) die minimaal gelijke rechten verlenen als art 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij worden het gelijkwaardigheidsbeginsel (niet ongunstiger dan nationaal recht) en het doeltreffendheidsbeginsel (Unierecht wordt niet belemmerd) niet geschonden.

In die overwegingen komt de HR tot het oordeel, dat de rechtspraak van het EHRM geen steun biedt voor de opvattingen, dat bij overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM een passende genoegdoening voor een gerechtelijke procedure die onredelijk lang heeft geduurd, altijd moet bestaan in een financiële compensatie en dat de hoogte van een financiële compensatie volgens rechtspraak van het EHRM altijd moet zijn gebaseerd op een bedrag tussen de € 1.000 en de € 1.500 per jaar dat de gehele procedure heeft geduurd.

De HR gebruikt daarbij woorden die de stelligheid van zijn oordeel onderstrepen zoals, buiten redelijke twijfel en evident.

Dat doet de HR ook bij de verduidelijking van de in de praktijk levende misvatting over het verplicht mondeling horen in unierechtelijke zaken. Niet mondeling horen is niet in strijd met het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel.

“Gelet op de … aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie is het naar het oordeel van de Hoge Raad evident dat uit het recht van de Unie niet voortvloeit dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit alleen naar behoren en effectief kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. De vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest, mag echter geen hindernis vormen voor de belanghebbende om van zijn recht gebruik te maken. Wanneer de belanghebbende is uitgenodigd om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken en hij, zonder daarover te hebben geklaagd, in redelijkheid van die mogelijkheid gebruik heeft kunnen maken en aldus zijn standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, eist het recht van de Unie niet dat hij wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek.”

Het zij gezegd.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *