
“Elke weigering om een fout te herstellen heeft agressie tot gevolg” (Godfried Bomans)
Taxlive 17/7/26 VNVandaag 17/7/26
Bron: Hoge Raad 17-07-2026 23/03413 ECLI:NL:HR:2026:1296
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:1296
Samenvatting
X benadert de inspecteur om de omvang van het door hem in 2016 behaalde vervreemdingsvoordeel bij de verkoop van aanmerkelijkbelangaandelen af te stemmen. Hoewel partijen het eens worden, verzuimt X aangifte te doen. De inspecteur legt ambtshalve een aanslag IB/PVV 2016 op, maar verzuimt op zijn beurt daarin het vervreemdingsvoordeel te verwerken. Hof Den Haag oordeelt dat de nadien door de inspecteur opgelegde navorderingsaanslag niet kan steunen op een kenbare fout als bedoeld in art. 16 lid 2, aanhef en onderdeel c AWR, maar wel op kwade trouw van X.
De Hoge Raad oordeelt dat het nalaten van het opnemen van een behandelvoornemen in het computersysteem van de Belastingdienst een fout vormt als bedoeld in art. 16 lid 2, aanhef en letter c AWR. Het begrip fout in deze bepaling is ruim en neutraal bedoeld en omvat ook fouten als deze. Het nalaten van de ambtenaar is, anders dan het hof heeft geoordeeld, geen gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten of een onjuist inzicht in het recht. Bepalend voor de aanwezigheid van deze fout is het moment waarop het geautomatiseerde proces van het opleggen van de primitieve aanslag had moeten worden tegengehouden maar dit niet is gebeurd. Dan is niet van belang dat bij de aanslagregeling geen kennis is genomen van de eerder tussen partijen gemaakt afspraak over het vervreemdingsvoordeel. De oorzaak van de te lage primitieve aanslag ligt in de hiervoor bedoelde fout. Het incidentele cassatieberoep van de staatssecretaris is daarom gegrond. Het principale cassatieberoep van X tegen het oordeel van het Hof over de kwade trouw behoeft vervolgens geen behandeling meer, omdat dit niet kan leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslag.
Opmerking
Voor de praktijk van de Belastingdienst een belangrijke aanvulling op een eerder door de HR ingeslagen weg. Zie de verwijzing in het arrest naar het arrest van 13/7/2018:
“Dat de controlerend ambtenaar in het onderhavige geval heeft nagelaten het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden, is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR”
Daarbij oordeelde de HR, dat het niet relevant was, dat de aangifte níet geautomatiseerd is afgedaan.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2018:1203
Voor de HR lag nu de casus, dat een afspraak over de hoogte van een voordeel uit aanmerkelijk belang niet als behandelvoornemen in het detectiesysteem van de Belastingdienst is opgenomen. Dat ligt volgens de HR dus in dezelfde lijn als het boekenonderzoek. Overigens zou een dergelijk boekenonderzoek volgens mij ook als signaal in de vorm van een behandelvoornemen moeten worden opgenomen.
Het nieuwe is nu, dat – anders dan in het arrest van 13/7/26 – er geen aangifte is ingediend terwijl dit wel zou moeten. Laakbare handeling van belastingplichtige vanwege de aangifteplicht voor het AB voordeel. De ambtshalve aanslag zonder kennis van dat voordeel kon dus worden hersteld door de navordering vanwege de kenbaar fout uit art 16 AWR.
Terecht, natuurlijk.
Een aangifte wordt voor behandeling opgeleverd op basis van fiscale risico’s die van de tevoren in het detectiesysteem van de Belastingdienst zijn opgenomen. Dat zijn onderdelen van de wetgeving die in een aangediende aangifte spelen en die een risico op een onjuiste toepassing in zich hebben, althans een toepassing waarover de Belastingdienst anders denkt. De wetgeving is bekend, maar niet wat tussen de inspecteur en belastingplichtige is afgesproken daarover. De inspecteur zou ervan uit mogen gaan, dat de afspraak op een juiste wijze in de later in te dienen aangifte wordt verwerkt. Mocht de overige toepassing van de wet geen speciaal risico vormen, dan zou er niets op tegen zijn om de aanslag conform de ingediende aangifte vast te stellen.
Maar de wereld is niet perfect en dan is vertrouwen zeker goed, maar controle beter. Dus de inspecteur brengt een signaal in het detectiesysteem, een behandelvoornemen, dat de aangifte in ieder geval op die afspraak moet worden getoetst. Doet die dat niet en de aangifte blijkt achteraf op dat punt tot een te lage aanslag hebben geleid, dan ontbreekt mogelijk een nieuw feit om na te vorderen. Immers, de Belastingdienst had op het tijdstip van de regeling de kennis over die afspraak, hoewel het inzicht daarover niet is gewijzigd. Navordering is wel mogelijk als belastingplichtige te kwader trouw is ten tijde van het indienen of het een administratieve fout betreft. En dat laatste is een vangnet voor de inspecteur, waartoe de HR ook het niet opnemen van een behandelvoornemen rekent.
In deze casus voor de HR verzuimt belastingplichtige aangifte te doen en doet dus net alsof die afspraak over het vervreemdingsvoordeel AB aandelen niet bestaat. Er volgt een ambtshalve aanslag (dus zonder aangifte), maar de inspecteur verzuimt op zijn beurt die afspraak daarin mee te nemen. Dat kon die ook niet, omdat er in het detectiesysteem kennelijk geen behandelvoornemen over die afspraak was opgenomen. De navordering is volgens het Hof terecht op basis van te kwader trouw, maar niet op grond van een ambtelijke fout. Er was een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten of een onjuist inzicht in het recht van de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag. De HR ziet dat dus anders. Bepalend voor de aanwezigheid van deze fout is het moment waarop het geautomatiseerde proces van het opleggen van de primitieve aanslag had moeten worden tegengehouden maar dit niet is gebeurd. Dan is niet van belang dat bij de aanslagregeling geen kennis is genomen van de eerder tussen partijen gemaakt afspraak over het vervreemdingsvoordeel.
Ricky Turpijn
