“Een ambtenaar is iemand die tegen beter weten in, geen fouten begaat” (Alec Beaufish)
Taxlive 27/7/26 VNVandaag 24/7/26
Bron: Rechtbank Den Haag 09-07-2026 (publicatie
23-07-2026) AWB25_4001 ECLI:NL:RBDHA:2026:19383
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19383
Samenvatting
X richt in 2005 samen met twee anderen als ‘initial investors’ een BV op. De BV en haar dochter-BV’s ontwikkelen software. In 2006, 2011 en 2014 treden nieuwe aandeelhouders toe, waarbij tevens persoonlijke holdings zijn gecreëerd. Uiteindelijk koopt een derde in 2018 alle aandelen in de BV. Volgens de inspecteur is een lucratief belang (art. 3.92b Wet IB 2001) verkocht en hij legt een IB-aanslag op met een te betalen bedrag van € 35.041.639, daarvan is € 4.068.570 aan belastingrente. Bij uitspraak op bezwaar is het eerder gestelde resultaat uit overige werkzaamheid verminderd met € 59.617.526. In beroep is in geschil of terecht slechts een forfaitaire bezwaarkostenvergoeding van € 3235 is toegekend. X claimt voor de bezwaar- en beroepsfase recht te hebben op een integrale vergoeding van ruim € 2 mln.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij de aanslagregeling tegen beter weten in heeft gehandeld. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat aandelen van ‘initial investors’ geen lucratief belang zijn. De gestelde kosten van rechtsbijstand tijdens de aanslagregeling (€ 161.091) en de beroepsfase (€ 444.943) worden sowieso niet vergoed. De declaraties van het advocatenkantoor voor de bezwaarfase van € 1.637.781 zijn voor de helft betaald door een andere ‘initial investor’ aan wie uiteindelijk geen aanslag is opgelegd. Dit deel komt ook niet voor vergoeding in aanmerking. Het restant van € 818.890 gaat de grenzen van het redelijke ver te buiten, mede omdat geen declaraties – alleen een ‘overzicht’ – zijn overgelegd, geen specificatie van de bestede tijd is gegeven en ook betaalbewijzen ontbreken. Uit de gedingstukken wordt afgeleid dat X recht heeft op € 50.000, minus de reeds toegekende forfaitaire vergoeding. Voor het beroep wordt een proceskostenvergoeding toegekend van € 3736.
Opmerking
Onderstaande uitspraak van de rechtbank heeft veel media aandacht gekregen en gaat over het toekennen van een integrale kostenvergoeding voor het bezwaar en het beroep. De inspecteur oordeelt, dat er sprake is van een niet aangegeven lucratief belang als resultaat uit overige werkzaamheden in de aangifte IB 2018 en legt een aanslag op inclusief dat belang. Daar neemt hij wel de tijd voor en kennelijk houdt hij zijn kaarten voor de borst. Hij stelt veel vragen en en treedt niet in overleg. Totdat hij tegen het einde van de aanslagtermijn aanloopt en hij de aanslag wel moet opleggen. Onder de feiten in de uitspraak staat namelijk: “Daarbij gaf hij aan de aanslag met het oog op de verjaringstermijn al in de systemen te hebben ingevoerd”. Aan het bezwaar komt hij tegemoet.
Aan het verzoek om kostenvergoeding voor de beroepsfase komt de rechter niet tegemoet en aan de overdreven vergoeding van enkele miljoenen voor de bezwaarfase slechts tot een bedrag van 50.000.
Het is dus geen forfaitaire vergoeding, maar een integrale vergoeding vanwege een bijzondere omstandigheid. Die bijzonderheid is volgens de rechter, dat de inspecteur tegen beter weten in bij de aanslagregeling een standpunt heeft ingenomen, die niet houdbaar is. Een standpunt weliswaar in een complexe wetstoepassing, maar wel op grond van een gelijksoortig voorbeeld in de parlementaire behandeling, waarvan het duidelijk is, dat de lucratief belangregeling daar op niet van toepassing is.
En als je dan op de zitting als inspecteur moet toegeven, dat alle informatie voorhanden was en dat de mogelijke antwoorden op de lopende vragenbrieven daar geen toegevoegde waarde in hebben, dan ben je als inspecteur niet goed voorbereid.
De uitspraak kan gevolgen hebben voor het aanslagregelend proces van de inspecteur. Hoewel de aanslagtermijn van 3 jaar lang is, kan het opleggen van een aanslag afwijkend van de aangifte rond het eind van die termijn een risico met zich meebrengen. Een foutje bedankt rechtgetrokken bij bezwaar kan dus leiden tot een standpunt tegen beter weten in en een integrale kostenvergoeding opleveren.
In deze zaak valt het tegen, dat de zgn. vaktechnische lijn bij de inspecteur niet heeft ingegrepen. Of wellicht erger met medeweten van de vaktechnische lijn de aanslag is opgelegd …
Ricky Turpijn
