
“De kern van de verrassing is het verzekeren van geheimhouding” (Carl von Clausewitz).
Taxlive 10/4/26 VNVandaag 10/4/26
Bron: Hoge Raad 10 april 2026 23/00547 ECLI:NL:HR:2026:571
Samenvatting
X handelt professioneel in hondenpups. Naar aanleiding van een door het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (hierna: het RIEC) ingesteld onderzoek wordt in 2016 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in haar woning de administratie en veel contant geld in beslag genomen. Mede op basis van het op 1 april 2013 ingevoerde I&R-systeem van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) stelt de inspecteur dat X valse NVWA-accounts heeft gebruikt en jarenlang omzet heeft verzwegen. In geschil zijn diverse navorderings- en naheffingsaanslagen. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakt de inspecteur met de I&R-gegevens aannemelijk dat de verkoop van ruim 2000 pups is verzwegen. Hof ‘s-Hertogenbosch verlaagt de aanslagen over 2013, omdat het I&R-systeem pas op 1 april 2013 in werking is getreden. X gaat in cassatie. In de loop van de cassatieprocedure bericht de staatssecretaris dat na een Woo-procedure is gebleken dat een groot aantal RIEC-stukken in het bezit waren van de inspecteur en door hem als gedingstukken overgelegd hadden moeten worden.
De Hoge Raad oordeelt dat de RIEC-stukken door de inspecteur als gedingstukken overlegd hadden moeten worden. Het beroep van X is gegrond. Volgt verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden. X heeft zowel voor de rechtbank als voor het hof verzocht om overlegging van de RIEC-stukken en de inspecteur heeft steeds ontkend dat die stukken hem ter beschikking stonden of hebben gestaan. Gelet op dit in vergaande mate onzorgvuldig handelen van de inspecteur – dat aan de staatssecretaris is toe te rekenen – krijgt X een proceskostenvergoeding van € 15.000. Daarnaast krijgt X wegens het overschrijden van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding van € 1500.
Opmerking
Het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) is een Nederlands samenwerkingsverband dat overheidsinstanties (gemeenten, politie, OM, Belastingdienst) verbindt om georganiseerde, ondermijnende criminaliteit integraal aan te pakken. Zij delen informatie en expertise om de maatschappelijke weerbaarheid te vergroten. https://www.riec.nl/over-ons
De vraag is of info uit dit samenwerkingsverband tot het fiscale dossier van de inspecteur behoort (de tot de zaak betrekking hebbende stukken) in onderstaande procedure voor de Hoge Raad over de aanslag IB 2013 en OB 2013 t/m 2015 en of het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding terecht is.
De HR ziet het belang van de beantwoording van deze vragen in verband met de vervolgvraag of daarmee bepaalde stukken en gegevens die de Inspecteur heeft gebruikt voor het opleggen en onderbouwen van de belastingaanslagen, buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze zijn verkregen in strijd met de wet of onder zodanige omstandigheden dat het gebruik ervan ontoelaatbaar moet worden geacht.
De HR vindt het onbegrijpelijk, dat de info van het RIEC niet tot het fiscale dossier behoort en neemt aan, dat de stukken van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de toelaatbaarheid ervan. Verwijzing moet volgen.
Waarom de staatssecretaris hier in zijn eigen mes loopt is, dat de inspecteur van meet af aan heeft beweerd, dat deze RIEC stukken – hoewel door belastingplichtige gevraagd – nooit tot het dossier hebben behoord, maar gedurende de cassatieprocedure na tussenkomst van de rechter naar aanleiding van een WOO verzoek deze stukken alsnog als op de zaak betrekking hebbend aan de belastingplichtige heeft gegeven. Het interessante van die procedure is, dat de stas door de rechter werd verweten niet transparant te zijn over zijn ‘zoekslag’. De rechter wijst er fijntjes op, dat de stukken die de FIOD door deelname in het RIEC ontvangt onder de WOO valt. Maar ook dan weigert de stas over te leggen, omdat het de geheimhoudingsplicht zou schenden. De rechter ziet dit anders. Kennelijk erkent de stas zijn onhoudbare positie en maakt een draai: het zijn wel op de zaak betrekking hebbende stukken.
Het is dus niet zo, dat de stas heeft gelogen. Maar zijn van meet af aan ingenomen standpunt lijkt uiteindelijk onhoudbaar te zijn. Maar daar hangt dan volgens de Hoge Raad wel een prijskaartje aan.
Dit gedrag van de staatssecretaris in cassatie is een in vergaande mate onzorgvuldig handelen van de Inspecteur – dat aan de Staatssecretaris is toe te rekenen – en ziet daarin aanleiding om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast te stellen op € 15.000.
Ricky Turpijn
