“Nothing is illegal if a hundred businessmen decide to do it” (Andrew Young)

Taxlive 10/4/26 VNVandaag 10/4/26
Bron: Hoge Raad 10-04-2026 25/02195 ECLI:NL:HR:2026:591

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:591

X dient een herziene aangifte IB/PVV 2016 in met aanvullende inkomsten. De Belastingdienst legt hem daarop een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2016 op met dagtekening 26 september 2020. Daarbij wordt € 194 aan belastingrente in rekening gebracht, berekend over de periode van 1 juli 2017 tot en met 20 oktober 2020. Over de periode 1 juli 2017 tot 1 juli 2020 is 4% rente toegepast, van 1 juli 2020 tot 1 oktober 2020 0,01% en van 1 oktober tot en met 20 oktober 2020 opnieuw 4%. X stelt dat de belastingrente van 4% zijn eigendomsrecht aantast dat beschermd wordt door art. 1 EP EVRM. Hof ’s-Hertogenbosch verwerpt dit betoog.

De Hoge Raad oordeelt dat bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak niet mag worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden besluit tot renteverhoging. Op grond van het legaliteitsbeginsel mogen belasting en belastingrente niet worden geheven of berekend op basis van een regeling die nog niet in werking is getreden. De inspecteur mocht daarom vóór 1 oktober 2020 het verhoogde rentepercentage van 4% niet toepassen, ook niet voor een periode daarna. Daaraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat de beschikking in zoverre betrekking heeft op belastingrente over een tijdvak dat begint te lopen op 1 oktober 2020, dus een tijdvak waarin dat nieuwe percentage in werking zal zijn getreden. Voor de periode 1 tot en met 20 oktober 2020 geldt het toen geldende percentage van 0,01%. Dat bij het opleggen van de belastingrentebeschikking al kenbaar was dat en wanneer het percentage zou worden verhoogd, en dat de eerdere verlaging tijdelijk was, rechtvaardigt geen afwijking van het legaliteitsbeginsel. Er geldt wel een uitzondering op het legaliteitsbeginsel indien een wet in formele zin met terugwerkende kracht een juridische grondslag verleent aan eerder handelen van de inspecteur, maar die uitzondering doet zich hier niet voor. De Hoge Raad vermindert zelf de belastingrente tot € 124. Verder klaagt X terecht dat het hof had moeten motiveren waarom het op basis van art. 2 lid 2 Bpb de proceskostenvergoeding heeft gematigd (zie HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, V-N 2026/14.15). Onder verwijzing naar HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21 oordeelt de Hoge Raad dat het rentepercentage van 4% geen inbreuk vormt op art. 1 EP EVRM en – ten overvloede – evenmin in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Van een verschuldigde belastingrente van 127 naar 124 euro. Belastingplichtige lijkt daarbij niet echt financieel voordeel te hebben gehad van deze procedure tot aan de hoogste rechter inclusief het advies van de AG. ‘But the stakes were higher’

Een procedure met als inzet, dat een belastingrente van 4% inbreuk maakt op art1 EP, nu de depositorente van de Europese Centrale Bank in 2020 negatief was, en dat een opslag van meer dan 4 procent de beoordelingsmarge van de wetgever te buiten gaat. Maar de HR wijst dat af op grond van de ten overvloede overwegingen 4.11.5 en 4.11.6 in zijn laatste doorbraakarrest over de belastingrente vennootschapsbelasting van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59. https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:59

Maar van dat laatste arrest kon de belastingplichtige nog niet op de hoogte zijn, gezien de conclusie van de AG in december 2025.

Omdat belastingplichtige na het definitief worden van de aanslag IB 2016 alsnog begin 2020 een herziene aangifte heeft gedaan van winstinkomen moest de inspecteur wel een navorderingsaanslag IB en Zvw opleggen. Dagtekening 26/9/2020, belastingrentetermijn t/m 20/10/2020 (art 30fc, lid 2 AWR). En dan begint het gedonder in de glazen.

Over de periode 1/7/2020 tot 1/10/2020 is 0,01% rente in rekening gebracht. Dit vanwege een tijdelijke versoepeling in verband met Corona. Over de periode 1/10 tot en met 20/10/2020 is wederom 4% rente berekend. Volgens belastingplichtige ontbreekt voor die laatste periode een juridische grondslag, nu de beschikking is afgegeven voorafgaand aan de ingangsdatum van het besluit 1/10/2020 herstel 4% belastingrente.

De Hoge Raad neemt de conclusie van de AG over en geeft belastingplichtige gelijk. De HR tikt daarmee het Hof op de vingers, die een anticipatie op het nog niet ingegane besluit juridisch in de lijn vond liggen met het arrest van de HR, waarin de rechter een toekomstige wet met terugwerkende kracht in het oordeel mee mag nemen. Maar hier is dus volgens de HR geen sprake van een terugwerkende kracht. De HR onderstreept hiermee het belang van het legaliteitsbeginsel. Al eerder uitgesproken in zijn arrest van okt 2009. Dit beginsel, dat een uitvloeisel is van het in artikel 1 EP en artikel 104 van de Grondwet geregelde legaliteitsbeginsel, geldt onder meer bij de invoering van een regeling die voorziet in een nieuwe mogelijkheid tot belastingheffing of tot berekening van belastingrente. Heffing van belasting en berekening van belastingrente zijn in beginsel niet toegestaan in het geval dat de regeling waarop de heffing van deze belasting of de berekening van die rente berust, nog niet in werking is getreden op het tijdstip waarop die heffing plaatsvindt of die rente in rekening wordt gebracht, aangezien daarvoor op dat moment nog geen juridische grondslag bestaat.

Nou, in deze tijd, waar legaliteit (inter)nationaal toch niet meer altijd als de norm wordt gezien, staan we wat de HR betreft weer met beide benen op de grond.

Want wat betekent dit nu? Dat er een wettelijke grondslag moet zijn om belasting te heffen volgt uit de GW. Maar om tegemoet te komen zonder wettelijke grondslag, zoals bij maatwerk of zelfs de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, is dat nog wel toegestaan?

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *