
“Je gaat het pas zien als je het door hebt” (Johan Cruijff)
Taxlive 28/1/26 VNVandaag 27/1/26
Bron: Gerechtshof Amsterdam 27-01-2026 (publicatie 27-01-2026) 200.300.335/01 ECLI:NL:GHAMS:2026:163
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:163
Samenvatting
Hof Amsterdam oordeelt dat de chauffeurs geen arbeidsovereenkomst met Uber hebben, omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap.
Uber BV exploiteert een app, waarmee taxiritten worden geboekt. Chauffeurs melden zich aan voor de app en worden onderverdeeld in drie categorieën:
1. Als ze geen chauffeurskaart of ondernemersvergunning hebben, kunnen ze (nog) niet actief worden op het Uber-platform.
2. Chauffeurs met een chauffeurskaart, maar geen ondernemersvergunning, kunnen gaan rijden als ‘Fleet partner’ onder de vlag van andere Uber-chauffeurs.
3. Taxichauffeurs met een chauffeurskaart én een ondernemersvergunning zijn ‘zelfstandig Uber Partner’.
FNV spreekt Uber aan op het naleven van de CAO Taxivervoer. Rechtbank Amsterdam stelt de FNV in het gelijk. In hoger beroep stelt Hof Amsterdam prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over het begrip ‘ondernemerschap’ in het Deliveroo-arrest (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, BNB 2023/95, V-N 2023/15.6). De Hoge Raad antwoordt op 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, V-N 2025/11.3, dat de vraag of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, afhangt van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien (Deliveroo-arrest), en brengt daarbij geen rangorde aan in de genoemde omstandigheden.
Hof Amsterdam oordeelt dat de chauffeurs geen arbeidsovereenkomst hebben, omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap. De van belang zijnde factoren zijn: de hoogte van hun investeringen (bijvoorbeeld voor de auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Hoewel niet is uit te sluiten dat er individuele chauffeurs zijn die wel op basis van een arbeidsovereenkomst voor Uber werken, zijn er bij gebreke van gegevens met betrekking tot individuele omstandigheden geen individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs waarvan is vast te stellen voor wie dat geldt. Volgt vernietiging van het vonnis van de rechtbank.
Opmerking
Een geanonimiseerde civielrechtelijke uitspraak tussen partijen, waarvan het duidelijk is voor het publiek, dat het hier gaat tussen aan de ene kant Uber en 7 chauffeurs en aan de andere kant het FNV. De chauffeurs zijn niet bij naam bekend.
Het FNV heeft een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat alle chauffeurs van Uber op basis van een arbeidsovereenkomst werken. Volgens de FNV kan deze verklaring ook voor een groep chauffeurs van Uber worden gegeven. In het verlengde daarvan heeft de FNV een verklaring voor recht gevorderd dat de CAO Zorgvervoer en Taxi op de chauffeurs van toepassing is in de periodes dat deze cao algemeen verbindend verklaard was en voorts de veroordeling van Uber de chauffeurs op basis van de cao vergoedingen te betalen. Het hof wijst de vorderingen van de FNV af. De chauffeurs hebben geen arbeidsovereenkomst, onder andere omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap. Factoren die hierbij onder meer van belang zijn: de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals voor hun auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.
Hoewel het hof niet uitsluit dat er individuele chauffeurs zijn die op basis van een arbeidsovereenkomst voor Uber werken, heeft het hof bij gebreke van gegevens met betrekking tot individuele omstandigheden geen individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen voor wie dat geldt. Omdat niet is komen vast te staan of en, zo ja, welke chauffeurs een arbeidsovereenkomst hebben, kan ook geen algemeen oordeel gegeven worden over de toewijsbaarheid van de gevorderde vergoedingen. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen.
De fiscaalrechtelijke werkelijkheid hoeft niet altijd de civielrechtelijke te volgen, maar meestal is dat wel het geval. Dus in de aan het Hof voorgelegde situaties van Uber chauffeurs, waarin het Hof oordeelt dat de chauffeurs dus geen arbeidsovereenkomst hebben zal de belastingdienst het oordeel volgen. Bij deze 7 Uber-chauffeurs.
Een algemeen oordeel voor alle Uber chauffeurs geeft het Hof dus niet. Vanwege deze open vraag voor de rest van de chauffeurs is het een overweging voor de FNV om in cassatie te gaan. Het lijkt logisch, dat de Belastingdienst met actie wacht, tot daarover meer duidelijkheid is.
Interessant is of de aspecten van het ondernemerschap gezien door een civiele rechter hiervoor genoemd ook door de belastingdienst als zodanig worden herkend en verderop, de fiscale rechter.
Ricky Turpijn
