
“Wie te veel heilige huisjes afbreekt, raakt zelf in woningnood” (J. Goudsblom)
Taxlive 4/2/26 VNVandaag 3/2/26
Bron: Rechtbank Den Haag 10-12-2025 (publicatie 02-02-2026) AWB – 25 _ 3757 ECLI:NL:RBDHA:2025:27089
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27089
Samenvatting
X is sinds 1997 eigenaar van een recreatiewoning op een recreatiepark. Sinds 2021 staat X in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van een woning die hij huurt. In beroep is in geschil of de recreatiewoning kwalificeert als eigen woning voor de Wet IB 2001.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de recreatiewoning van X niet kwalificeert als eigen woning, omdat zijn hoofdverblijf in een andere plaats ligt. X huurt een woning in een andere plaats om dichtbij zijn kinderen en kleinkinderen te zijn en heeft daar ook zijn sociale activiteiten. Het merendeel van zijn uitgaven maakt hij niet in de plaats waar zijn recreatiewoning staat. Het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van X ligt in 2023 in de plaats waar hij een woning huurt. Het beroep is ongegrond.
Opmerking
Een op het oog eenvoudig geschil met toch de vraag wat nu het fiscale probleem is. Maar het zou wel eens en belangrijke uitspraak kunnen zijn voor de huidige Box 3 problematiek.
In deze zaak woont belanghebbende in een huurhuis in een andere gemeente dan waar hij een vakantiewoning heeft vanaf 1997. Kennelijk is hij pas vanaf juni 2021 ingeschreven in de gemeente van zijn gehuurde woning. Na de aanmaning heeft belanghebbende de aangifte IB 2023 alsnog met 5 dagen te laat ingediend, waarvoor hij een verzuimboete krijgt. De aanslag wordt conform de aangifte opgelegd.
En nu komt het opmerkelijke, omdat kennelijk belanghebbende tegen deze conform aanslag in bezwaar en beroep komt. De Rechtbank heeft alle begrip voor de omstandigheid, dat hij de zorg voor zijn zieke zuster en haar overlijden op zich heeft genomen, maar belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt, dat alle schuld voor het niet tijdig indienen van de aangifte afwezig was.
De verzuimboete blijft in stand.
Maar ook in geschil is het antwoord op de vraag of de vakantiewoning de eigen woning is. Dat maakt belanghebbende volgens de Rechtbank niet aannemelijk. Maar wat is nu het fiscale punt? Kennelijk heeft de inspecteur zijn aangifte als juist aangemerkt. Dat moet betekenen, dat hij zijn vakantiewoning als een Box 3 bezitting heeft aangegeven. Maar bij beroep moet deze alsnog als eigen woning worden aangemerkt. Is dit anders dan in de aangifte IB 2022 en zo ja, hoe heeft de inspecteur daarop gereageerd? Wat was de eigen woning vóór juni 2021 (het moment van inschrijving in de gemeente van het huurhuis). Heeft het een en ander – ook – te maken met het verkrijgen van de status van permanente bewoning, waar voorheen slechts sprake was van illegale bewoning van het vakantiehuis vanaf 1997?
Als permanente bewoning van de vakantiewoning mogelijk wordt (bijv. vanwege het woningtekort) dan kan ik mij heel goed voorstellen, dat eigenaren van een tweede woning als vakantieverblijf in eigen gebruik een ‘switch’ willen maken door de vakantiewoning als eigen woning aan te merken. Zeker als de WOZ waarde hoger is dan de huidige eigen woning.
Als vanaf 1/1/2028 de Wet werkelijk rendement in werking treedt, zal voor de vakantiewoning een vermogenswinstbelasting gaan gelden mét een jaarlijkse vastgoedbijtelling. Het aanmerken als eigen woning neemt deze heffingen weg (al kan een aanpassing van het eigenwoningforfait een beetje roet in het eten gooien).
Maar de sterk feitelijk overwegingen van de Rechtbank in dat verband zijn interessant:
8. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat de in [plaats 1] aangehouden woning is aan te merken als eigen woning bedoeld in artikel 3.111 van de Wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat met al hetgeen eiser heeft gesteld en aangevoerd, eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de in de stukken gepresenteerde feiten niet aannemelijk is geworden dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van eiser zich in 2023 in [plaats 1] bevond. De rechtbank weegt daarin mee dat tegenover de stelling van eiser dat hij zich in het jaar meestal bevindt in [plaats 1], de inspecteur er op heeft gewezen dat het merendeel van de uitgaven in het jaar zijn gedaan in en rondom [plaats 2], dat de woning aldaar wordt gehuurd om dicht bij de kinderen en kleinkinderen te kunnen zijn, en op het verschil in energieverbruik dat doorslaat naar de woning in [plaats 2]. Voorts is van belang dat de inspecteur heeft gewezen op sociale activiteiten van eiser in [plaats 2] en waarvan geen sprake lijkt te zijn in [plaats 1]. Dit leidt tot het oordeel dat de inspecteur de woning in [plaats 1] terecht niet als eigen woning heeft aangemerkt.
Ricky Turpijn
