“De begroting is net als een deken in de winter: als de één hem naar zich toe trekt, ligt de ander in de kou” (Hans van Mierlo)

Taxlive 16/1/26 VNVandaag 16/1/26
Bron: Hoge Raad 16-01-2026 24/04619 ECLI:NL:HR:2026:59

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:59

Naar aanleiding van de door X BV ingediende VPB-aangifte 2021 legt de inspecteur een voorlopige aanslag aan haar op. Daarbij wordt belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 – 26 augustus 2023, naar het volgens het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) geldende percentage van 8. X BV acht het gehanteerde percentage te hoog. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de bepaling uit het Bbi, waarin de hoogte van het percentage belastingrente voor de VPB is geregeld, in strijd met het evenredigheidsbeginsel is vastgesteld. De rechtbank stelt de rente vast op 4%. De staatssecretaris stelt (sprong)cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelt dat de in het Besluit belasting- en invorderingsrente vastgestelde rente van 8% te hoog is. Volgens de Hoge Raad ontbreken namelijk redelijke rechtvaardigingsgronden voor de selectieve renteverhoging voor VPB-plichtigen. De besluitgever heeft dan ook met art. 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van de belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Deze bepaling is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Art. 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente is daarom onverbindend en zal als gevolg daarvan buiten toepassing moeten blijven. In overeenstemming met hetgeen partijen hebben gesteld, moet dan een percentage van 4 worden toegepast, het percentage dat ook geldt voor andere belastingen. Het beroep in cassatie van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.

Nou, de rechtbank heeft gelijk gekregen, de AG heeft dit ondersteund en de HR komt tot hetzelfde oordeel: de verhoging van VPB-belastingrentepercentage naar 8% is onverbindend. De sprongcassatie van de stas wordt ongegrond verklaard.

Het budgettair verlies voor de overheid wordt geschat tussen de €850 miljoen en €1,3 miljard.
Eén keer raden wie dat gaat ophoesten als compensatie.

Wil je het in jip-en-janneke-taal van de HR lezen, dan is hier de link.

https://www.hogeraad.nl/actueel/nieuwsoverzicht/2026/januari/hoge-raad-verhoging-belastingrente-vennootschapsbelasting-8

De HR overweegt, dat het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) een algemeen verbindend voorschrift is en dus geen formele wet en daar daarom getoetst mag worden of dit voorschrift in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. De gerechtvaardigde belangen van vennootschapsbelastingplichtigen die door het voorschrift worden geraakt, zijn kenbaar meegewogen door het kabinet. De verhoging van de belastingrente is daarom zorgvuldig voorbereid en is voldoende gemotiveerd. En daarmee is de weg geopend voor een toets aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel volgens de HR. Maar nu bij de totstandkoming van het verhoogde belastingrentepercentage een politiek-bestuurlijke afweging is gemaakt, moet die toetsing inhoudelijk terughoudend zijn.

Met de verhoging van het belastingrentepercentage wordt geen ander dan een budgettair doel gediend constateert de HR. Een lastenverzwaring die geheel of overwegend op budgettaire motieven berust, komt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als die hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Die groep wordt dan onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel.

Belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente moeten worden beschouwd als gelijke gevallen.

Met de verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Daarom is de desbetreffende bepaling van het Besluit belasting- en invorderingsrente in strijd met het evenredigheidsbeginsel én met het gelijkheidsbeginsel en daarom onverbindend, aldus de HR. In dat geval is tussen partijen afgesproken, dat het percentage van 4 geldt. Kennelijk acht de HR deze conclusie genomen met de door de HR zelf geëiste nodige terughoudendheid.

Met het oog op de vele lopende procedures geeft de HR een handvat. Voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van de belastingrente moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van het Bbi naar het percentage dat ook geldt voor andere belastingen. Dat percentage is in beginsel gelijk aan de normale wettelijke rente van 4 (en 4,5 vanaf 2024).

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *