
“Hoe complexer de gegevens worden, des te meer mensen simpele antwoorden zoeken” (Amos Oz).
Taxlive 27/2/2026 VNVandaag 27/2/2026
Bron: Hoge Raad 27-02-2026 24/03415 ECLI:NL:HR:2026:297
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:297
Samenvatting
X schakelt een gemachtigde in om de WOZ-waarde 2021 van zijn woning te bestrijden. De gemachtigde vraagt in de bezwaarprocedure, met een beroep op art. 40 Wet WOZ, diverse stukken op, zoals de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de factoren die met betrekking tot de woning en de referentiepanden een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (KOUDVL-factoren). De heffingsambtenaar verstrekt daarop een ‘taxatiematrix’. In hoger beroep is nog in geschil of art. 40 Wet WOZ is geschonden. Hof Amsterdam oordeelt dat art. 40 Wet WOZ niet is geschonden. Wel bestaat volgens het of recht op vergoeding van het griffierecht. De vergoeding voor de kosten van het hoger beroep worden gematigd tot € 60 en de ISV tot € 50 per half jaar. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad geeft enige algemene overwegingen over de uitleg van art. 40 Wet WOZ, toegespitst op de waardevaststelling van woningen. Daarbij wordt voortgeborduurd op eerdere rechtspraak. Vervolgens formuleert de Hoge Raad, voor diverse categorieën gegevens die veelal bij de waardevaststelling van woningen worden gebruikt, een aantal regels aan de hand waarvan moet worden bepaald of het gegevens zijn die aan de vaststelling van de waarde van een woning ten grondslag liggen in de zin van art. 40 Wet WOZ. Hierbij geldt dat slechts een informatieverplichting voor de heffingsambtenaar bestaat als de desbetreffende gegevens in een stuk zijn vastgelegd, in het concrete geval rechtstreeks zijn gebruikt voor de waardebepaling en de belastingplichtige een voldoende specifiek verzoek om verstrekking van een afschrift daarvan heeft gedaan. In de onderhavige zaak van X geldt dat art. 40 Wet WOZ volgens de Hoge Raad niet is geschonden. De Hoge Raad houdt de zaak nog wel aan om de hoogte van de vergoeding van proceskosten voor de cassatieprocedure te bepalen.
Opmerking
In februari van elk jaar regent het WOZ beschikkingen. De WOZ waarde 2026 (met peildatum 1/1/2024 wordt nu door de gemeenten afgegeven. Elk jaar wordt de beschikking steeds interessanter, omdat de schaarste aan (Box 1 en Box 3) koopwoningen en de subsidie op het kopen van eigen woningen hoog blijven. Daardoor is het waard om met de gemeente in de clinch te gaan over de waarde. De gemeente zelf stimuleert belastingplichtige het directe contact hierover om de kostenverslindende no-cure-no-pay bureautjes te omzeilen.
Maar in onderstaande arrest heeft de hulp van zo’n bureau wel geleid tot een instructie over welke informatie de gemeente moet verschaffen over de totstandkoming van de WOZ waarde op grond van art 40, lid 2 Wet WOZ. Zij die al in geschil zijn met hun gemeente zullen delen van de instructie herkennen in het taxatierapport. Maar de HR constateert ook, dat niet alle gemeenten op dezelfde manier de verplichte informatievoorziening invullen. Zo vormt de informatie over de kennis en ervaring van een deskundige geen gegeven waarvan een afschrift kan worden verstrekt. In ro 5.2 t/m 5.15 fileert de HR verder welke do’s and dont’s aan informatie bij het opvragen spelen.
De wollige woorden in een WOZ taxatieverslag zullen snel worden gevolgd door verzoeken om deze woorden in een matrix van cijfermatige grondslagen om te zetten. Dan wordt eindelijk de Black Box van het gehanteerde waarderingsmodel van de gemeente onthuld.
Overigens krijgt gemachtigde gelijk op grond van recente jurisprudentie in zijn claim voor een immateriële schadevergoeding. Over de proceskosten vergoeding kan gemachtigde alsnog toelichten bij de HR waarom het een bijzonder geval is, waarvoor andere normen gelden dan in recente jurisprudentie is gewezen voor het eenvoudige hoger beroep. Opmerkelijk is, dat de HR hierbij zichzelf bombardeert als feitenrechter.
Ricky Turpijn
