
“If I am what I have and if I lose what I have who then am I?” (Erich Fromm)
Taxlive 29/5/26 VNVandaag 29/5/26
Bron: Hoge Raad 29-05-2026 23/01379 ECLI:NL:HR:2026:811
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:811
Samenvatting
X NV en haar twee dochter-BV’s maken deel uit van de fiscale eenheid-VPB van Stichting C (een woningcorporatie). De dochters verhuren onroerende zaken aan derden. Stichting C verkoopt in 2016 een aandelenbelang van 55,02% in X NV aan drie partijen. X NV vormt direct daarna met haar dochters een nieuwe fiscale eenheid-VPB. In geschil is de aanslag van X NV over haar eerste korte boekjaar, waarbij de inspecteur weigert om de voorvoegingsverliezen van de dochters te verrekenen. Volgens Rechtbank Noord-Holland is het belang in X NV in belangrijke mate (30% of meer) gewijzigd en houden de dochters zich bezig met het beleggen van vermogen. De geclaimde voorwaartse verliesverrekening is daarom niet mogelijk. X NV gaat in sprongcassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het voor de uitleg van het beleggingsbegrip in art. 20a lid 8 Wet VPB 1969 niet relevant is of de activiteiten voor de toepassing van andere wetsartikelen worden aangemerkt als ondernemingsactiviteit. De omstandigheid dat woningcorporaties vanaf 2008 integraal VPB-plichtig zijn geworden, heeft dus geen invloed op de uitleg van dat beleggingsbegrip. De integrale VPB-plicht is juist ingevoerd om “fiscaal een meer gelijk speelveld” te creëren voor woningcorporaties en commerciële vastgoedpartijen. Het is namelijk de bedoeling om woningcorporaties gelijk te behandelen als andere vastgoedondernemingen. Het beroep van X NV is ook voor het overige ongegrond.
Opmerking
In onderstaand arrest over art 20a Vpb gaat het om 2 fiscale eenheden Vpb.
Voor de Fiscale Eenheid (FE) no 1 (de moederstichting – de woningcorporatie (toegelaten instelling) – met de dochter NV en de twee kleindochters – verhuurders van woningen aan derden) is het geen probleem, dat de voorvoegingsverliezen verrekend worden met de aan kleindochters toegerekende winst.
Maar de belangenwijziging van bijna 50% in de NV net vóór FE no 2 (de dochter NV en de twee kleindochters) stapt in de valkuil van art 20a Vpb, ingeroepen om de handel in verliesvennootschappen tegen te gaan. Alle (voorvoegings)verliezen van de kleindochters, ontstaan tot aan het moment dat het middellijk belang in de kleindochters in belangrijke mate (voor meer dan 30%) wijzigt, zijn niet meer verrekenbaar. Dus FE no 2 kan geen gebruik maken van de voorvoegingsverliezen.
Mogelijk, dat er vooroverleg met de inspecteur heeft plaatsgevonden. Ik kan mij voorstellen, dat ook de kennisgroep om hulp is gevraagd, maar in de database van de belastingdienst heb ik niet zo gauw iets kunnen vinden. Wat wijst op overleg is, dat met de insp is afgesproken voor het geval belastingplichtige (de NV van fiscale eenheid no 2) geen gelijk krijgt, dat op grond van artikel 20a, lid 12 Vpb belpl gebruik kan maken van de mogelijkheid om direct voorafgaand aan de ontvoeging uit FE no 1 over te gaan tot herwaardering van haar bezittingen met een winst tot gevolg. Maar ook een afschrijvingspotentieel voor FE no 2 als gevolg.
Wat overigens ook in het besluit art 20a punt 9.6 mogelijk is gemaakt. https://wetten.overheid.nl/BWBR0049454/2024-03-09?g=2026-03-23&z=2026-03-23
Een schrale troost. Dat betekent, dat de verliezen alsnog met de door herwaardering ontstane winst kunnen worden verrekend, maar waarschijnlijk niet voor het geheel. Maar het levert wel een afschrijvingspotentieel op.
Ook wijst het op vooroverleg, omdat de na de uitspraak van de rechtbank sprongcassatie is ingediend. Dat kan alleen met goedkeuring van de insp.
Belpl weet natuurlijk, dat het belang met meer dan 30% is gewijzigd. Maar hij vindt dat de verhuur van woningen door de dochters geen beleggingen zijn in de zin van art 20a Vpb. Het artikel wil een dam opwerpen tegen de handel in vennootschappen met verliesgevende beleggingen, waaronder vastgoedbeleggingen (liquide middelen en onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan derden). Belpl vergelijkt zichzelf met een woningcorporatie die belastingplichtig is. Maar de HR mede op advies van de AG wijst die vergelijking af:
“Art 20a Vpb kent een op zichzelf staand beleggingsbegrip. Voor de uitleg van dat beleggingsbegrip is daarom niet relevant of de activiteiten van de belastingplichtige voor de toepassing van andere artikelen in de Wet worden aangemerkt als ondernemingsactiviteit. De omstandigheid dat woningcorporaties met ingang van 2008 integraal belastingplichtig zijn geworden voor de vennootschapsbelasting heeft dus geen invloed op de uitleg van het bepaalde in artikel 20a, lid 8, letter a, van de Wet.”
De AG wees erop, dat de NV geen wooncorporatie is, maar de stichting (FE no 1). Dus de NV kan sowieso die vergelijking niet maken. De HR gaat dara niet op in, maar geeft nu ook een rechtsoordeel, dat art 20a Vpb een op zichzelf staand beleggingsbegrip kent. Zeker interessant, nu het begrip belegging op meerdere plaatsen in de fiscale wetgeving verschijnt.
Ricky Turpijn
