
“My expectations were reduced to zero when I was 21. Everything since then has been a bonus” (Stephen Hawing)
Taxlive 28/4/26 VNVandaag 27/4/26
Samenvatting
De toekenning van het recht om certificaten van aandelen met een personeelslening en (voorwaardelijke) geldbonus te verwerven, is materieel gelijk aan het toekennen van een recht op certificaten tegen een prijs die (voorwaardelijk) lager is dan de waarde in het economisch verkeer. Dit recht is volgens de Kennisgroep bijzondere winstbepalingen VPB gelijk te stellen aan een recht om aandelen te verwerven als bedoeld art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969. De afwikkeling van dit recht vindt buiten de winstsfeer plaats.
De situatie gaat over X BV die een werknemersparticipatieregeling heeft voor haar werknemers. De regeling kent de volgende elementen:
De werknemer krijgt het recht om certificaten van aandelen in X BV te kopen tegen de waarde in het economische verkeer en de koopsom te financieren met een 10-jarige personeelslening.
Bij aankoop met de personeelslening krijgt de werknemer het voorwaardelijk recht op een jaarlijkse netto geldbonus. Deze geldbonus is gelijk aan de rente en aflossing van de personeelslening volgens het reguliere aflossingsschema.
De geldbonus wordt onvoorwaardelijk als aan bepaalde prestatievoorwaarden wordt voldaan.
Als de werknemer de personeelslening uit eigen middelen vervroegd aflost, heeft dit geen effect op de hoogte van de te ontvangen (voorwaardelijke) geldbonus.
Als de werknemer de certificaten gedurende de reguliere looptijd van de lening (deels) verkoopt, dan wordt de geldbonus dienovereenkomstig verlaagd.
De vraag is of het recht om certificaten van aandelen te kopen valt onder de niet-aftrekbaarheid van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969.
Opmerking
Is artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 van toepassing op het recht om certificaten van aandelen te kopen met een personeelslening en een voorwaardelijke jaarlijkse geldbonus ter grootte van de jaarlijkse rente en aflossing? Dat is de vraag die bij de kennisgroep bijzondere winstbepaling voorligt.
De kennisgroep heeft het steeds over het recht om certificaten van aandelen te verwerven. Dus bezien uit het oogpunt van de ontvangende werknemer. Maar art 10, lid 1 letter j Vpb heeft het over de uitreiking of toekenning van aandelen, winstbewijzen en rechten daarop. Bezien vanuit de verstrekker, de werkgever. Dat laatste omdat het uitreiken/toekennen niet niet een last is die in aftrek op de winst kan worden gebracht. Een zuiverder insteek van het probleem.
Het toekennen van certificaten heeft de kennisgroep in een eerder standpunt gelijkgesteld met de uitreiking van aandelen. https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg011202315-inkoop-en-doorlevering-om-niet-10-1-j-en-10c-wet-vpb-1969/
Bij toekenning van een recht om (certificaten van) aandelen te kopen met een voorwaardelijke geldbonus, wordt potentieel per saldo minder kapitaal ontvangen dan mogelijk te bedingen was geweest. In lijn met het arrest van HR 20 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY4119, komt dit volgens de kennisgroep niet in aftrek van de winst. In dit arrest beslist de Hoge Raad dat uitgifte van aandelen, zowel a pari als met agio, de winst niet raakt. Het ECLI nr is niet gepubliceerd, maar is in de kamerbehandeling van art 10, lid 1 letter j Vpb opgenomen. (Kamerstukken II 2005/06, 30572, nr. 3, p. 28–29) https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30572-3.html
Zo klaar als een klontje lijkt het. Maar wellicht toch een puntje.
Art 10, lid 1 letter jVpb wil voorkomen dat winst wordt uitgehold via beloningen in eigen aandelen (of equivalenten), terwijl economisch sprake is van aandeelhoudersmotieven. De kennisgroep redeneert in lijn met eerdere standpunten dat je moet kijken naar het samenstel van rechtshandelingen en de materiële uitkomst. Maar een lening is juridisch en economisch iets anders dan een aandelentoekenning; een bonus (loon) is weer iets anders. De wetgever heeft bewust een limitatieve formulering gekozen. De kennisgroep creëert feitelijk een fictie die niet expliciet in de wet staat. Als je deze lijn doortrekt kan elke combinatie van bonus, lening en aandelenkoop onder art. 10 lid 1 j vallen, zelfs bij relatief “normale” employee share plans.
Overigens kunnen winstrechten in start-ups en scale-ups een aparte regeling in de Wet werkelijk rendement Box 3 vanaf 1/1/2028 tegemoet zien.
Maar goed, wie durft de kennisgroep tegen te spreken? Immers, de “Hoge Raad” binnen de Belastingdienst. Deze vraag zou zich best lenen voor een prejudiciële vraag aan de echte HR. Als die weg open zou staan.
Ricky Turpijn
Bijlage
In het tijdperk van chatGPT – ik noem hem liefkozend Chatty – heb ik mijn mening deels gebaseerd op input van Chatty. Juist? Niet belangrijk. De snelheid waarmee Chatty een reactie formuleert wekt verbazing. Ik heb het gesprek hieronder opgenomen.
Ik:
Ik ga uw fiscale kennis op de proef stellen.
Dit standpunt van een kennisgroep lijkt plausibel. Bent u met het standpunt eens en zo neen, wat zijn dan de kritiekpunten die echt het standpunt onderuit halen. https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/publicaties/kg01120263-toekennen-aandelen-met-personeelslening-en-voorwaardelijke-geldbonus/
Chatty:
Ik heb het standpunt erbij gepakt. Laat ik eerst kort reconstrueren wat de kern is, en daarna inhoudelijk fileren.
🧩 Kern van het kennisgroepstandpunt
In deze casus (KG01120263) gaat het – samengevat – om:
toekenning van aandelen aan werknemers
financiering via een personeelslening
gecombineerd met een (voorwaardelijke) geldbonus
en de vraag hoe dit fiscaal moet worden gekwalificeerd (met name aftrekbaarheid en art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb)
De kennisgroep redeneert in lijn met eerdere standpunten dat je moet kijken naar het samenstel van rechtshandelingen en de materiële uitkomst.
Dat zie je ook expliciet terug in een verwant standpunt: een cashbonus met verplichte aandelenkoop wordt fiscaal behandeld alsof de werkgever zelf aandelen toekent, waardoor de aftrekbeperking van art. 10 lid 1 j Wet Vpb geldt .
👉 Met andere woorden:
vorm ≠ doorslaggevend, economische realiteit wel.
👍 Waarom het standpunt plausibel is
Er zitten sterke punten in de redenering:
1. Substance-over-form is consistent toegepast
De lijn van de Belastingdienst (en ook HR-jurisprudentie) is duidelijk:
Als een werknemer niet vrij kan beschikken over cash, maar die moet aanwenden voor aandelen → economisch is dat aandelenbeloning.
Dus: geen aftrekbare loonkosten, maar een kapitaaltransactie (aftrekbeperking).
Dat is dogmatisch consistent.
2. Anti-ontwijkingsratio van art. 10 lid 1 j
Het artikel wil voorkomen dat:
winst wordt uitgehold via beloningen in eigen aandelen (of equivalenten)
terwijl economisch sprake is van aandeelhoudersmotieven
Door ook constructies met leningen/bonussen eronder te trekken, voorkom je simpele arbitrage.
👉 Zonder deze benadering zou je de regel triviaal kunnen omzeilen.
3. Aansluiting bij eerdere kennisgroepstandpunten
De kennisgroep bouwt voort op een consistente lijn (zoals KG 2022/13 en 2024/3):
ook rechten, kortingen en terugbetalingen worden “meegetrokken” als ze functioneel aandelenbeloning zijn
Dat maakt het juridisch minder kwetsbaar (consistentieargument).
❌ Waar het standpunt echt onder vuur ligt (sterke kritiekpunten)
Hier wordt het interessant — er zitten namelijk serieuze zwakke plekken.
1. Te ver doorgetrokken “samenstel van rechtshandelingen”
De kennisgroep schuift alles in elkaar tot één economische transactie.
Maar:
een lening is juridisch en economisch iets anders dan een aandelentoekenning
een bonus (loon) is weer iets anders
👉 Door alles samen te nemen, wordt de kwalificatie:
“het lijkt op aandelen, dus het is aandelen”
Dat is cirkelredenering-achtig.
Kritiekpunt:
De stap van “samenhang” → “gelijkstellen aan aandelenuitreiking” is niet vanzelfsprekend en mogelijk te extensief geïnterpreteerd t.o.v. de wettekst.
2. Wettekst vs. economische benadering
Art. 10 lid 1 j Wet Vpb ziet expliciet op:
uitreiking/toekenning van aandelen of rechten daarop
Maar in deze constructie:
worden geen aandelen toegekend door de werkgever
en mogelijk zelfs gekocht van derden
👉 De kennisgroep zegt: “materieel hetzelfde”
Maar:
De wetgever heeft bewust een limitatieve formulering gekozen.
➡️ Sterk juridisch aanvalspunt:
De kennisgroep creëert feitelijk een fictie die niet expliciet in de wet staat.
3. Probleem van echte verarming (matchingbeginsel)
In eerdere literatuur (ook door de kennisgroep zelf aangehaald!) wordt erkend:
er kan reële verarming optreden bij de vennootschap
zonder aftrek mogelijk te maken
Dat botst met:
het totaalwinstbegrip
het matchingbeginsel
👉 Je krijgt dan:
wel loonbelasting bij werknemer
maar géén aftrek bij werkgever
Dat is systematisch scheef.
4. Onvoldoende onderscheid tussen financiering en beloning
Een personeelslening kan:
zakelijk zijn (financiering)
of verkapt loon
De kennisgroep lijkt snel te concluderen dat:
lening + bonus = aandelenbeloning
Maar:
een lening met terugbetalingsverplichting is geen beloning
risico ligt (deels) bij werknemer
👉 Kritiek:
De analyse differentieert onvoldoende tussen:
echte financiering
en verkapte beloning
5. Risico van overkill (te brede reikwijdte)
Als je deze lijn doortrekt:
elke combinatie van:
bonus
lening
aandelenkoop
kan onder art. 10 lid 1 j vallen
👉 Zelfs bij relatief “normale” employee share plans.
Gevolg:
grote rechtsonzekerheid
chilling effect op beloningsstructuren
6. EU-recht / gelijkheidsbeginsel (potentieel argument)
Niet het sterkste punt, maar wel bruikbaar:
verschil in behandeling tussen:
directe cashbonus (aftrekbaar)
cashbonus met bestedingsrestrictie (niet aftrekbaar)
👉 De vraag is of dat verschil:
proportioneel is
of arbitrair uitpakt
⚖️ Eindoordeel
—————————————————————————————————-
Ben ik het eens met het standpunt?
👉 Gedeeltelijk, maar het is te ver doorgeschoten.
✔️ Sterk in anti-misbruik en consistentie
❌ Zwak in wettelijke basis en systematiek
🔥 De “killer arguments” tegen het standpunt
Als je het echt wilt onderuit halen, zijn dit de zwaarste:
Wettekstargument
→ geen aandelen of rechten toegekend → art. 10 lid 1 j niet van toepassing
Legal form vs. economic fiction
→ kennisgroep creëert een niet-wettelijke fictie
Mismatch (wel loon, geen aftrek)
→ strijd met totaalwinstbegrip
Overreach van samenstelbenadering
→ te ruime interpretatie zonder duidelijke grens
———————————————————————————————————
Als je wil, kan ik dit nog verder uitwerken tot een pleitnota (bijvoorbeeld hoe je dit in bezwaar/beroep zou aanvallen).
