
“Het is kenmerkend voor een goede rechter, uit kleinigheden zijn conclusie te trekken omtrent iemands begeerte of ingetogenheid” (Marcus Tullius Cicero).
Taxlive 20/10/26 VNVandaag 19/10/26
Bron: Hoge Raad 16-10-2026 25/01027 ECLI:NL:HR:2026:1688
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:1688
Samenvatting
X heeft de Oekraïense nationaliteit en is met zijn vrouw en drie kinderen naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog in Oekraïne. Hij heeft een tijdelijk verblijfsrecht gekregen tot 4 maart 2023, dat nadien is verlengd. Hij heeft een tijdelijke woning toegewezen gekregen en staat vanaf maart 2022 onafgebroken ingeschreven in de BRP. Daarnaast houdt X zijn huurwoning en bankrekening in Oekraïne aan en betaalt hij de daarbij behorende kosten. Ook blijven zijn kinderen digitaal Oekraïens onderwijs volgen in de jaren 2021/2022 en 2022/2023. In september 2022 aanvaardt X een dienstbetrekking, waarvoor hij tezamen met zijn werkgever een verzoek voor toepassing van de 30%-regeling doet. Het verzoek voor toepassing van de 30%-regeling wordt afgewezen. X gaat in bezwaar en beroep. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X kwalificeert als ingekomen werknemer voor de toepassing van de 30%-regeling. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof Amsterdam (V-N 2025/19.1.2) oordeelt dat X niet een ingekomen werknemer is, omdat hij een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had voorafgaand aan het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Zes maanden voorafgaand aan het aangaan van de arbeidsovereenkomst verblijft X namelijk reeds in Nederland en zijn leerplichtige kinderen zijn in die periode naar een Nederlandse school gegaan. De omstandigheid dat X van 15 april tot 8 augustus 2022 werkzaam is geweest op een schip in internationale wateren is, mede in het licht van de aanwezigheid gedurende die periode van zijn gezin in Nederland, onvoldoende om het ontbreken van de duurzame band aannemelijk te maken. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Opmerking
De vraag die uiteindelijk bij de Hoge Raad voorligt is of een in Nederland verblijvende Oekraïense vluchteling een ingekomen werknemer is voor de 30%-regeling. Dat wil zeggen, dat hij op moment van aangaan van de arbeidsovereenkomst op 1/9/2022 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft en dus niet was gevestigd in NL op grond van art 4 AWR en
Het Hof kijkt of er sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland en niet of deze sterker of minder sterk is dan een eventuele band met een ander land. En die band met NL is er. Hoewel niet relevant, maakt belanghebbende ook die andere sterkere band met Oekraïne niet aannemelijk: een woning in NL en de kinderen volgen – ook – in NL onderwijs spreken dat tegen.
Het Hof moet impliciet hiermee bedoelen (want expliciet doet zij dat niet), dat zij voorbij gaat aan waar de Rechtbank alles aan ophangt: de intentie van belanghebbende om zich niet voor langere tijd te vestigen in NL en daarom niet gezegd kan worden dat belanghebbende op 1 september 2022 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
De beide lagere rechters noemen dezelfde relevante jurisprudentie en komen verder op basis van de verschillende invalshoeken, maar wel op dezelfde overige feiten, tot verschillende oordelen. En die feiten zijn:
– aanhouden woning en kosten daarvan in Oekraïne
– bankrekening in Oekraïne
– de leerplichtige kinderen van belanghebbende (de jongste was een baby) gingen naar een Nederlandse school
– kinderen bleven digitaal Oekraïens onderwijs volgen
– belanghebbende was opvarende op een schip onder Liberiaanse vlag
– tijdelijk verblijfsrecht
– 6 maanden een woning betrokken in Heinenoord met gezin tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
De HR doet dan de zaak af met art 81RO. Wat houdt dat in?
“De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht”
Het lijkt erop, dat de HR achter het oordeel van het Hof staat. Het Hof heeft kunnen oordelen, zoals het heeft geoordeeld. Maar is daarmee ook gezegd, dat de intentie zoals de Rechtbank voorstaat van tafel is? Daar had de HR best nog enkele stichtelijke woorden aan kunnen wijden.
Ricky Turpijn
