
“Een dode leeuw kan door iedere haas aan de baard getrokken worden” (Martialis).
Taxlive 28/10/26 VNVandaag 27/10/26
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-10-2026 (publicatie 26-10-2026) 25/1328 ECLI:NL:GHARL:2026:6629
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2026:6629
Samenvatting
X is zelfstandig pedagogisch medewerker en verleent diensten aan kinderopvangorganisaties die geregistreerde kindercentra exploiteren. Zij sluit overeenkomsten van opdracht met deze organisaties voor het verrichten van pedagogische diensten. X staat ingeschreven in het personenregister kinderopvang en beschikt over de vereiste diploma’s en certificaten. De ouders sluiten overeenkomsten met de kinderopvangorganisaties, niet met X. X voldoet over het eerste kwartaal 2022 € 2149 aan omzetbelasting op aangifte en maakt hiertegen bezwaar. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. Rechtbank Gelderland verklaart het beroep ongegrond. In geschil is of X de vrijstelling voor kinderopvang van art. 11 lid 1 letter w Wet OB 1968 kan toepassen op haar diensten.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de diensten van X naar hun inhoud kwalificeren als kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang en niet slechts als het verrichten van arbeid. X voldoet aan de in de Wet kinderopvang gestelde eisen, nu zij staat ingeschreven in het personenregister kinderopvang en haar registratie koppelt aan het betreffende kindercentrum. Omdat art. 11 lid 1 letter w Wet OB 1968 ongeclausuleerd verwijst naar de eisen uit de Wet kinderopvang en X daaraan voldoet, kwalificeert zij als erkende instelling in de zin van de BTW-richtlijn. De vrijstelling komt niet uitsluitend toe aan de houder van een geregistreerd kindercentrum. Het hof vermindert de verschuldigde omzetbelasting tot nihil.
Opmerking
“Het Hof ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad”
Dat is nu jammer. Na eerst te zijn afgewezen door de Rechtbank, verzoekt belanghebbende de appelrechter om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad te stellen. Wellicht indachtig de oproep van de HR aan de lagere rechters daar toch meer gebruik van te maken. Maar ook omdat het dan een mogelijke extra gang naar de hoogste rechter bespaart. Maar nu het Hof in haar uitspraak belanghebbende gelijk geeft, zal zij (belanghebbende is een vrouw) niet ontevreden zijn, hoewel zij erop kan rekenen dat de inspecteur deze rechtsvraag (want dat is dit geschil wel) naar de hoogste rechter brengt.
Dit geschil over de rechtsvraag of de voor kinderopvang gekwalificeerde zelfstandig werkende pedagogisch medewerker, die haar diensten aanbiedt aan een kinderopvanginstelling, zelf ook een dergelijke instelling is en daarom is vrijgesteld van omzetbelasting zal een uitstraling hebben naar soortgelijke situaties in het land.
Het is daarbij interessant, dat de inspecteur omzetbelasting op basis van de voorwaarden het contract tussen de belanghebbende en de kinderopvanginstelling als een contract van aanneming heeft aangemerkt en niet als een arbeidscontract. Ik ga ervan uit, dat de collega van de inkomstenbelasting hier niet vanaf wijkt. Het kan dus wel.
Het Hof is van mening, dat belanghebbende kwalificeert als een erkende instelling van sociale aard (kinderopvang) als bedoeld in de BTW-richtlijn 2006. Het Hof verwerpt daarom ook de stelling van de Inspecteur dat enkel kinderopvang door de houder van een geregistreerd kindercentrum voor de kinderopvangvrijstelling van artikel 11.1.w Wet OB in aanmerking zou komen.
Door geen prejudiciële vraag te stellen lijkt het erop, dat de het Hof verwacht dat de HR de zaak zal afdoen met art 81 RO: het cassatieberoep afdoen met een verkorte motivering als de aangevoerde klachten niet nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Zal de koe een haas vangen?
Ricky Turpijn
