
“Alle kunst is volkomen nutteloos” (Oscar Wilde).
Taxlive 3/11/26 VNVandaag 2/11/26
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-10-2026 (publicatie 30-10-2026) 25/2410 ECLI:NL:GHARL:2026:6632
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2026:6632
Samenvatting
X BV bezit onder meer beleggingen in onroerende zaken, effecten en een kunstcollectie. Zij schaft in de jaren 2005 – 2008 diverse kunstwerken aan. De nadruk ligt daarbij op Cobra-kunst, waarvoor haar DGA een persoonlijke voorkeur heeft. De collectie wordt jaarlijks gewaardeerd in verband met de verzekering. In 2017 richt X BV een dochter op en verkoopt 43 schilderijen aan haar. De verkoopprijs is gebaseerd op het taxatierapport van een waarderingsdeskundige. Het boekverlies dat X BV bij deze transactie lijdt wordt niet geaccepteerd door de inspecteur. Rechtbank Gelderland oordeelt dat het boekverlies niet aftrekbaar is omdat de inspecteur aannemelijk maakt dat de kunstuitgaven zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de DGA.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X BV het bij de verkoop van de schilderijen aan haar dochter gerealiseerde boekverlies ten laste van haar winst in aanmerking mag nemen. De uitgaven voor de kunstcollectie zijn niet gedaan met het oogmerk van bevrediging van de persoonlijke behoeften van de DGA. Aangezien het grootste deel van de kunstcollectie in een externe opslag ligt en slechts een klein deel in de werkruimte in de woning van de DGA hangt, staat het beleggingsmotief volgens het hof voorop. Dit sluit ook aan bij de bedrijfsactiviteiten van X BV. Ook is van belang dat de getaxeerde waarde bij het boekenonderzoek in 2009 hoger ligt dan de aanschafprijs, zodat een reële kans op rendement aanwezig is. Verder merkt het hof nog op dat de persoonlijke voorkeur van de DGA voor Cobra-kunst niet de conclusie rechtvaardigt dat de uitgaven een persoonlijk karakter hebben. Bij vrijwel iedere (beleggings)beslissing zullen immers tot op zekere hoogte ook de voorkeuren van de DGA meewegen. De transactie tegen de getaxeerde waarde is bovendien zakelijk. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en vermindert de aanslag.
Opmerking
Altijd leuk een casus te lezen op het snijvlak van vestzak/broekzak, namelijk de dga en zijn BV.
Want als de BV niet zakelijk handelt, dan zijn kosten niet aftrekbaar. En dat is wanneer de kosten slechts dienen om de persoonlijke behoeften van de dga te bevredigen. En dat is nu eenmaal de vooringenomenheid van de inspecteur om handelingen met het oog op die relatie onder een vergrootglas te leggen. Met name als het privégehalte van het bedrijfsmiddel sterk aanwezig is, zoals een belegging in een kunstwerk. Vaak is pas duidelijk, dat het om kunst gaat, als er in een aangifte een verliesaftrek wordt gepresenteerd. Dan wordt de controleambtenaar op pad gestuurd.
Na nul op rekest van de rechtbank te hebben gekregen, heeft belanghebbende, een BV, de weigering door de inspecteur om het verlies bij verkoop van een kunstcollectie in 2017 aan een daartoe opgerichte dochtermaatschappij in aftrek toe te staan aan de appelrechter voorgelegd. En met succes.
Maar de geschilpunten zijn wel verwarrend.
Zijn de uitgaven voor de kunstcollectie ingegeven ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de dga; kan belanghebbende zich met succes op het vertrouwensbeginsel kan beroepen en is de transactie als zodanig zakelijk is?
Het gaat in wezen om het laatste geschilpunt: het verlies op de verkoop. Maar kennelijk heeft de inspecteur de aanschaf van de kunstcollectie door belanghebbende niet willen erkennen als bedrijfsmiddel. Wat opmerkelijk is, omdat duidelijk is dat er 2 controles zijn geweest over de jaren 2005 t/m 2008 en over 2012 en 2013, waarbij geen woord is gerept over de kwalificatie van de kunstwerken. Het is een slimme invalshoek, die het Hof kennelijk ondersteunt door niet het opgewekt vertrouwen eerst te behandelen.
Immers, niet de kwalificatie van de kunstcollectie was in geschil, maar de afschrijvingskosten daarop. Die zijn volgens afspraak in ieder geval t/m 2013 gecorrigeerd danwel afwezig. Je zou kunnen zeggen: er was geen belang om de kwalificatie van de aanschaf van de collectie door belanghebbende aan de orde te stellen. Ze stonden op de balans, maar dat was dan ook alles.
Maar ja, of je zo zuiver kan redeneren, dat je daarmee geen vertrouwen hebt gewekt, laat het Hof zich dus niet over uit. Het Hof onderzoekt alsnog of de aanschaf van de collectie door belanghebbende met het oog op de bevrediging van de persoonlijke behoeften van de dga was gedaan. Zo ja, dan zou de kunstcollectie in voorgaande jaren onterecht op de balans hebben gestaan. Ik schat in, dat een bevoordeling van de dga buiten de aanslagtermijnen valt. Maar ook dat de verkoop van de collectie aan de dochtermij niet kan plaatsvinden en het verlies dus niet aanwezig is.
Voor de praktijk is het goed te weten waarom het Hof de aanschaf dus als een bedrijfsmiddel en wel als een belegging ziet.
– een deel van de collectie is opgeslagen, een deel staat in de woning v- an de dga en niet staat vast dat er roulatie is
– er is sprake van een beleggingsonderneming
– er bestaat een reële kans op rendement
– niet kan worden gezegd dat geen redelijk denkend ondernemer de onderhavige aanschaf zou hebben gedaan
– dga als bestuurder van belanghebbende kan het (beleggings)beleid van belanghebbende bepalen en persoonlijk de voorkeur geven aan kunst. Bij vrijwel iedere (beleggings)beslissing zullen immers tot op zekere hoogte ook de voorkeuren van de bestuurder meewegen.
En het transactieverlies? Ondanks het nastreven van belastingbesparing door belanghebbende zijn de waarden door een derde-taxateur bepaald en dan is het verlies dus aftrekbaar. C’est simple comme bonjour.
Ricky Turpijn
