“Any violation of civil rights will be aggressively pursued and prosecuted by my administration. No one will be above the law”(Donald Trump).

Taxlive 4/5/26 VNVandaag 1/5/26
Bron: Gerechtshof Amsterdam 27-11-2025 (publicatie 28-04-2026) 25/340 ECLI:NL:GHAMS:2025:3746

Rechtbank uitspraak vzt J Schnitker EK

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:12989

Hof uitspraak vzt Carina Hummel MK

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3746

X exploiteert winkels waarin souvenirs, voeding, wietzaden en andere drugsgerelateerde artikelen worden verkocht. De Belastingdienst en de Douane voeren samen een onaangekondigd onderzoek uit. In een ruimte achter de winkel is een tas met contanten en een schaduwboekhouding aangetroffen. De bedrijfsleider heeft met toestemming van X vragen beantwoord van de belastinginspecteur. De inspecteur extrapoleert de gegevens uit de schaduwboekhouding en gebruikt deze gegevens voor de omzet- en winstcorrectie. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur niet kan aangeven op basis van welke bevoegdheid de doorzoeking plaatsvond en neemt daarom aan dat een strafrechtelijke dwangvordering onbevoegd is ingezet. De inspecteur gaat in hoger beroep.

Hof Amsterdam oordeelt dat de Douane in het kader van de accijnswetgeving een ruime bevoegdheid heeft om een winkel en de ruimte daarachter te doorzoeken. Ook het open maken van een tas valt onder deze bevoegdheid. Ook is het de Douane toegestaan om de inspecteur van de Belastingdienst te wijzen op de door hem bij zijn onderzoek aangetroffen tas met contanten. Van ‘onrechtmatig verkregen bewijs’ is geen sprake. Toen in de tas contant geld bleek te zitten, was de inspecteur bevoegd om hierover vragen aan de bedrijfsleider te stellen. Uit de in de tas aangetroffen schaduwboekhouding volgt dat X bewust een groot deel van de omzet afroomde. Dit rechtvaardigt het omkeren en verzwaren van de bewijslast. De schatting van de inspecteur is redelijk. Het is redelijk om de omzetcorrecties die volgen uit de schaduwboekhouding te extrapoleren naar de voorliggende maanden. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

Zo zie je maar, dat anonimiseren een secuur werkje is. De eigenaar van de eenmanszaak, waarvan de IB 2018 naar aanleiding van een boekenonderzoek onderwerp is van deze procedure voor het Hof is prominent opgenomen onder de feiten. Dit zal niet de bedoeling zijn. Daar kan het Hof nog behoorlijk last mee krijgen. Zeker nu belastingplichtige ongelijk heeft gekregen.

Maar ook verder is het een interessante zaak, waar de enkelvoudige kamer van de rechtbank een lesje formeel recht krijgt van de meervoudige kamer in hoger beroep.

Een waarneming ter plaatse (wtp) door de belastingdienst samen met de douane vanwege het vermoeden van overtreding van de accijnswet (drugs) op het bedrijf van belastingplichtige heeft geleid tot de vondst van een schoudertas gevuld met geld en een schaduwboekhouding. Dat heeft weer tot een aanslag IB 2018 geleid waarin verwerkt zijn de resultaten van het boekenonderzoek ingesteld naar aanleiding van de wtp. Die aanslag is onderwerp van de procedure voor het Hof. De inspecteur heeft in die aanslag meegenomen de gevonden geldbedragen en de resultaten in de schaduwboekhouding. De rechtbank heeft eerder geoordeeld, dat de vereiste aangifte niet is gedaan vanwege het ontbreken van substantiële pinbetalingen en privéstortingen in de administratie, waardoor het beroep ongegrond is, tenzij anders is gebleken. Daarbij wijst de rechtbank erop, dat de aanslag wel naar een redelijke schatting van de belastbare winst moet worden vastgesteld. En dat heeft de inspecteur alleen gedaan door de pinbetalingen en privéstortingen mee te nemen, voor het overige niet, zoals de rechtbank hierna overweegt.

De inspecteur stond kennelijk met een mond vol tanden toen hem werd gevraagd op grond van welke bevoegdheid de doorzoeking van de ruimte, waarin de schoudertas zich bevond, heeft plaatsgevonden. De rechter vindt, dat “aangenomen mag worden dat dit strafvorderlijke dwangmiddel onbevoegd is ingezet” en suggereert, dat de schaduwboekhouding mogelijk ook niet rechtmatig zijn verkregen. Maar de rechter twijfelt of de schaduwboekhouding wel iets met het bedrijf van belastingplichtige te maken heeft, nu de taal (Hindi) in boekhouding een andere is dan de taal van belastingplichtige (Urdu). Verder is de extrapolatie van cijfers onvoldoende controleerbaar.

Het Hof is het volkomen oneens met de rechtbank. Immers, de douane heeft de schoudertas aangetroffen bij de doorzoeking van de ruimte. Art 83 Accijnswet geeft de Douane de bevoegdheid alle ruimten van een gebouw aan een onderzoek te onderwerpen. Ook het openen van de schoudertas valt daar onder. De Douane mocht de belastingdienst wijzen op de aangetroffen tas met contanten en is daarom geen “onrechtmatig verkregen bewijs”. Nou, deze uitleg van art 83 Accijnswet is wellicht iets voor belanghebbende om de Hoge Raad in te schakelen. Maar grote kans, dat dat met een art 81 RO wordt afgedaan.

De inspecteur is ook binnen de bevoegdheid van art 47 AWR gebleven: het stellen van vragen over feiten die van belang zijn voor de eigen belastingplicht van belastingplichtige. Immers, de bedrijfsleider die in de zaak was, was naar eigen zeggen gerechtigd voor de belastingplichtige te spreken en van ongeoorloofde druk was niet gebleken. Daarbij is op grond van jurisprudentie de bedrijfsleider die toegang heeft tot gegevensdragers gehouden deze ter beschikking te stellen.

De gebrekkige administratie kan niet dienen als grondslag voor de omzetberekening. Maar dat kan tot omkering of verzwaring van de bewijslast leiden pas na het afgeven van een informatiebeschikking. Maar als deze gebrekkige administratie niet leidt tot de vereiste aangifte, dan is omkering en verzwaring ook zonder informatiebeschikking mogelijk. Eveneens de Rechtbank komt het Hof ook tot het oordeel, dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Maar ook met inachtneming van de gegevens in schaduwboekhouding.

En is de schatting van de inspecteur redelijk? Dat is volgens het Hof het geval, maar dan op hele andere feitelijke gronden – die dus ook de rechtbank ter beschikking stonden. Daarbij weerlegt het Hof de overwegingen van de rechtbank die de redelijke schatting van de inspecteur verwerpen.

Ik denk, dat de rechtbank te kort is geschoten in de motivering, waardoor het prijsschieten was voor het Hof. Maar is dit niet slechts een verschil in waardering van de feiten en het inzicht in het formele recht? Is dit dan de toegevoegde waarde van de 2e feitelijke instantie? Dat de appelrechter het altijd beter weet dan de primaire rechter?

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *