“Put het geluk nooit uit. De laatste emmer smaakt naar de bodem” (Godfried Bomans).

Taxlive 28/08/2025 VNVandaag 27/08/2025
Bron: Rechtbank Gelderland 24-07-2025 (publicatie 25-08-2025) ARN 23/7100 en 23/7101 ECLI:NL:RBGEL:2025:6003

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:6003

Belanghebbende, X, houdt de aandelen in Y BV. In verband met de eigen woning zijn leningen afgesloten, onder andere bij Y BV, tot een bedrag van € 1,1 mln. Per 1 januari 2016 worden twee nieuwe leningen afgesloten bij Y BV. De ene voor een bedrag van € 349.999 en de andere voor € 200.000. De inspecteur legt een IB-navorderingsaanslag op aan X. Hij is van mening dat het bedrag van € 349.999 moet worden aangemerkt als een onttrekking van vermogen uit de BV en dus als een regulier ab-voordeel. Daarnaast accepteert hij de afgetrokken hypotheekrente van € 6021 in box 1 niet.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat X vermogen aan zijn BV heeft onttrokken. De inkomenspositie van X op 1 januari 2016 biedt namelijk geen basis voor het aangaan van de lening van € 349.999. De inspecteur heeft dit bedrag dan ook terecht als regulier ab-voordeel in aanmerking genomen. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023 (20/01589, ECLI:NL:HR:2023:26, V-N 2023/4.7). Verder is de rechtbank van mening dat Y BV de lening niet onder gelijke voorwaarden met een derde zou hebben gesloten. Het verstrekken van de lening is dan aan te merken als een vermogensverschuiving van Y BV naar X om hem te bevoordelen. Beide partijen moeten zich hiervan ook bewust zijn geweest. Het gelijk is aan de inspecteur.

Een ouderwetse uitspraak op het snijvlak van de dga en zijn/haar/lhbtiq+ BV: de uitdeling.
Het zou mij niets verbazen, dat dat deze procedure in de IB is ontstaan door handreiking van de inspecteur Vpb naar aanleiding van de ‘jacht’ op de onzakelijke lening ingezet naar aanleiding van de arresten uit 2008, 2011 en 2013.

Het gaat hier om een navordering winstuitdeling IB 2016 en de correctie renteaftrek aangifte 2019. Ingegeven door een lening van de BV aan de dga, die volgens de inspecteur na het verstrekken ervan in 2016 het vermogen van de BV definitief heeft verlaten (en dus een schijnlening, deelnemerschapslening of bodemlozeputlening is) en dus geen lening is, maar een uitdeling. Dit moet de inspecteur Vpb hebben geconstateerd bij de behandeling van de aangifte Vpb 2016.
De rechtbank is het met de inspecteur eens. Het betekent wel, dat een eventuele rente ontvangst door de BV ook moet worden teruggedraaid.

Opvallend is, dat de inspecteur IB/de rechter het oordeel zo goed als baseert op het uitdelingsarrest van 13/1/2023.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2023:26

Daarmee zou je op z’n minst de vraag kunnen stellen of nieuwe jurisprudentie hier met terugwerkende kracht is toegepast. Tenzij het niet meer is dan een samenvatting van al eerder gewezen jurisprudentie. Een indicatie daartoe is de verwijzing in het arrest naar jurisprudentie van 29-10-2004, nr. 40 296 ECLI:NL:HR:2004:AR4761: “Dat deze geleende gelden in de toekomst wellicht verrekend zouden kunnen worden met een dividenduitkering van de BV, doet aan het voorgaande niet af.”

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2004:AR4761

Een frase die de rechtbank hanteert om te pareren, dat de terugbetaalcapaciteit door een toekomstige winstuitdeling zou blijken. Daarmee zou die capaciteit in 2016 in ieder geval níet blijken.

De interpretatie van de overwegingen van de HR door de rechtbank over wanneer er sprake is van een onttrekking en daarna een winstuitdeling om daardoor niet in te hoeven gaan op de vermogenspositie van de dga als terugbetalingscapaciteit is denk ik wel een antwoord op een rechtsvraag, die nog eens aan de HR moet worden voorgelegd.
Zo ook de – terechte – afwijzing door de rechtbank van het in aanmerking nemen van de aandelen in de BV als zekerheid voor terugbetaling.

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *