
“Er is nu eenheid, iedereen doet in principe wat ik vraag. Het zijn namelijk geen Hollanders, die als je begint met ademhalen al zeggen: ja maar…” (Johan Cruijff).
Taxlive 19/12/25 VNVandaag 19/12/25
Bron: Hoge Raad 19-12-2025 22/03529 ECLI:NL:HR:2025:1957
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2025:1957
Samenvatting
A BV is de moedermaatschappij van een f.e. binnen het Q-concern. X BV neemt het Q-concern over en wordt als moedermaatschappij gevoegd in een f.e. met verschillende maatschappijen van het Y-concern. Het Q-concern leidt verlies terwijl het Y-concern winst maakt. Vanaf 2014 vindt een herstructurering plaats. Hierbij worden A BV en haar al gevoegde dochtermaatschappij B BV gevoegd in de f.e. van X BV. Vervolgens wordt C BV opgericht door X BV en gevoegd in de f.e. en worden de aandelen C BV geleverd aan A BV. Bij de juridische fusie binnen de f.e. die daar op volgt, is C BV de verkrijgende vennootschap en B bv de verdwijnende vennootschap. Hierbij wordt verzocht om de f.e. ten aanzien van B BV niet te verbreken. In haar VPB-aangiften 2015 en 2016 verzoekt X BV om de winsten te verrekenen met het voorvoegingsverlies uit 2010. Zij beroept zich daarbij op art. 15ae Wet VPB 1969, art. 15ah Wet VPB 1969, art. 5 lid 4 Besluit fiscale eenheid 2003 en art. 18 BFE en de grammaticale uitleg van deze artikelen. Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV de winsten uit 2015 en 2016 kan verrekenen met haar voorvoegingsverlies uit 2010. De bepalingen waar X BV zich op beroept zijn zodanig uitvoerig, gedetailleerd en onvoorwaardelijk geformuleerd, dat X BV zich kan beroepen op een grammaticale uitleg van de artikelen. Na een grondige analyse en beoordeling van de van toepassing zijnde wetsbepalingen omtrent de verliesverrekening binnen een f.e. oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden, in lijn met de rechtbank, dat X BV de winsten uit 2015 en 2016 kan verrekenen met haar voorvoegingsverlies uit 2010. X BV beroept zich volgens het hof terecht op een grammaticale uitleg van de VPB-artikelen. Dat de opgezette structuur deel uitmaakt van een herstructurering met het uitsluitende oogmerk om voorvoegingsverliezen te verrekenen, is niet van belang. Ten aanzien van de afschrijving van goodwill is het gelijk aan de inspecteur. De in art. 15ah lid 2 Wet VPB 1969 neergelegde regel van fictieve winstsplitsing leidt namelijk tot een inbreuk op het uit het arrest van de Hoge Raad van 9 april 1952 (B. 9213), voortvloeiende systeem, waar X BV zich op beroept. X BV en de staatssecretaris gaan in cassatie.
De Hoge Raad bevestigt de redenering van het hof en de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van een grammaticale uitleg van art. 18 BFE. X BV kan de winsten uit 2015 en 2016 verrekenen met haar voorvoegingsverlies uit 2010. Met betrekking tot het beroep van de staatssecretaris op fraus legis merkt de Hoge Raad op dat art. 15ah lid 2 Wet VPB 1969 specifieke regels bevat voor de winstbepaling in de situatie dat een vermogensbestanddeel waarin een stille reserve schuilgaat, binnen een f.e. wordt overgedragen. Uit de toelichtingen op art. 15ah lid 2 Wet VPB 1969 en art. 5 lid 4 BFE blijkt volgens de Hoge Raad dat de wetgever respectievelijk de besluitgever voor de in die bepalingen geregelde gevallen bewust is afgeweken van het in art. 15ae en artikel 15ah lid 1 Wet VPB 1969 voor de verrekening van voorvoegingsverliezen neergelegde regime van winstsplitsing. Ook het beroep in cassatie van X BV met betrekking tot de afschrijving op de goodwill wordt ongegrond verklaard. Het zou in strijd zijn met de in de wetsgeschiedenis beschreven achterliggende gedachte van de afschrijvingscorrectie om de splitsingswinst te berekenen zonder inachtneming van de goodwillafschrijving. De verkregen goodwill moet worden geactiveerd tegen de waarde in het economische verkeer en hierop moet dan vervolgens worden afgeschreven.
Opmerking
De inspecteur lijkt de smaak te pakken te hebben met de inzet van fraus legis. Als hij het vermoeden heeft, dat de fiscale constructie alleen gericht is op het verminderen van belastingheffing (motief) en verder geen zakelijk belang dient én de constructie in strijd is met doel en strekking van de wet (norm), dan gaat hij voor bestrijding van de constructie.
Zo is er onlangs een rake klap uitgedeeld aan een private equity huis, die de renteaftrekbeperking van art 10a Vpb – een antimisbruikbepaling – kon omzeilen (geen verbonden lichamen), maar het lid op de neus kreeg toen bleek, dat de constructie wel in strijd was met doel en strekking van de wet vennootschapsbelasting, omdat er sprake was van winstdrainage. Gezien de standaardopzet van private equity constructies (de overmatige financiering van de target met vreemd vermogen) is de kans groot dat de inspecteur altijd winstdrainage zal proberen hard te maken en subsidiair pas art 10a Vpb in stelling zal brengen.
Maar het lukt niet altijd, zoals in deze zaak waar in geschil was de verrekening van voorvoegingsverliezen van een moedervennootschap met de winst van de fiscale eenheid (art 15 Vpb). Sowieso goed kennis te nemen van deze problematiek, waar geharde fiscalisten nog steeds moeite hebben om de relevante wetsartikelen over winstsplitsing te begrijpen én tenslotte goed op de rechtshandelingen toe te passen. Gecompliceerd wordt het, als binnen de fiscale eenheid vennootschappen fuseren (art 18 BFE). Meestal komen inspecteur en belanghebbende er aan de tekentafel samen wel uit.
Ik kan mij voorstellen, dat er AI modellen in de maak zijn of al in de lucht om dit proces fiscaal te stroomlijnen.
De HR heeft de dragende overweging (4.3.3) om fraus legis niet toe te passen algemeen geformuleerd en overgenomen van een eerder arrest. Ik denk daarom dat de HR een hoofdregel heeft geformuleerd.
“Daarbij komt dat elk van de hiervoor genoemde bepalingen haar eigen achtergrond en ratio kent. De omstandigheid dat de uitkomst van de toepassing van het samenstel van die bepalingen bij een grammaticale uitleg op gespannen voet staat met doel en strekking van een of meer van die bepalingen als zij op zichzelf worden beschouwd, kan niet rechtvaardigen dat aan dit samenstel van bepalingen een andere uitleg wordt gegeven (vgl HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:884, rechtsoverweging 2.3.7). Het Hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de door belanghebbende binnen dit samenstel van bepalingen gerealiseerde besparing niet leidt tot strijd met doel en strekking van de Wet.”
Dus geen winstdrainage: de wettekst is in lijn met de bedoeling van de wetgever.
Ricky Turpijn
