
âMet wat ik won bij het gokken heb ik me een kapiteinspet aangeschaft; met wat ik verloor had ik een boot kunnen kopenâ (Tristan Bernard).
Taxlive 9/2/26 VNVandaag 6/2/26
Bron: Rechtbank Gelderland 10-07-2025 (publicatie 04-02-2026) AWB 24/156 ECLI:NL:RBGEL:2025:5461
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:5461
Samenvatting
Tot de fiscale eenheid waarvan X BV de moedermaatschappij is, behoort ook A BV. Het X-concern houdt zich bezig met online gokken. A BV leent gelden uit aan Q, een gelieerde Maltese vennootschap. In haar VPB-aangifte 2019 waardeert X BV de door A BV aan Q uitgeleende gelden af met ⏠267.017. Na bezwaar accepteert de inspecteur uiteindelijk slechts een afwaardering van ⏠28.928. Volgens de inspecteur is namelijk sprake van een onzakelijke lening.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV de afwaardering op de lening aan de gelieerde vennootschap niet in aftrek kan brengen op haar winst. De inspecteur maakt aannemelijk dat de na 31 januari 2016 verstrekte bedragen het karakter van een onzakelijke lening hebben. De rechtbank acht daarbij van belang dat er geen zekerheden zijn gesteld, terwijl de debiteur in het geheel met vreemd vermogen is gefinancierd. Verder was de solvabiliteit van de debiteur vanaf het begin negatief was en is dat ook steeds zo gebleven. Daarnaast is van belang dat de opbrengsten uit de gokactiviteiten niet aan de crediteur en X BV toekomen, maar aan de economisch rechthebbenden. X BV heeft dan ook een debiteurenrisico gelopen dat zodanig groot is dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de gelden met een grote(re) risico-opslag aan de debiteur zou hebben uitgeleend. Het beroep is ongegrond.
Opmerking
âBelanghebbende stelt zich op het standpunt dat het leerstuk van de onzakelijke lening niet van toepassing is. Het betreft de financiering van een kernactiviteit van belanghebbende (online gokken). Vanwege destijds geldende wetgeving inzake online gokken, en op grond van bancaire regels, was belanghebbende gedwongen tot het opzetten van een buitenlandse structuur en het intern financierenâ
Een beetje flauw van mij, maar is dit niet wat een verslaafde gokker altijd zegt: ik ben gedwongen zo the handelen. De inspecteur â de rechter steunt hem daarin â brengt het terug tot waar het om gaat: het gaat om de kwalificatie van de verstrekte leningen.
De rechtbank zet de feiten af tegen enkele standaardarresten over de onzakelijke lening. Belangrijk is, dat er dan sprake moet zijn van gelieerdheid, dat ruimer is dan het (middellijke) aandelenbelang. Het betreft hier via een stak economische rechthebbenden op belanghebbende als crediteur én de debiteur. Maar ook genoeg zou zijn, dat deze groep elkaar kent bijv. uit de tennisclub. Waarschijnlijk is het daarom, dat dat de rechtbank in dit geval niet eerst onderzoekt of er sprake is van kapitaal in plaats van een lening.
De crediteur draagt de kwade kansen, terwijl de goede kansen aan de aandeelhouders toekomen. Dit zijn omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden wettigen dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat zodanig groot is dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de gelden met een grote(re) risico-opslag â bijvoorbeeld een hoge(re) rente â aan de debiteur zou hebben uitgeleend, zoals te lezen valt in het belangrijkste standaardarrest, Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.3.
Weer een beetje flauw van mij, maar belanghebbende heeft gegokt en verloren: geen afwaardering ten laste van het fiscale resultaat. Althans, bij deze rechtbank. Het zou goed kunnen, dat belanghebbende nog een gokje waagt bij de appelrechter. Maar dan zou hij toch iets moeten inbrengen tegen het oordeel van de rechtbank over de feiten:
âBelanghebbende heeft echter niet weersproken dat de debiteur in het geheel met vreemd vermogen is gefinancierd (ânul kapitalisatieâ), en heeft evenmin weersproken dat de solvabiliteit van de debiteur vanaf het begin negatief was en ook is gebleven. Bovendien komen de opbrengsten uit bedoelde activiteiten niet aan de crediteur en belanghebbende toe, maar (uiteindelijk) aan de economisch rechthebbendenâ.
Ricky Turpijn
