
“Het argument van de sterkste is steeds het beste” (Jean de la Fontaine)
Taxlive 13/3/26 VNVandaag 13/3/26
Bron: Hoge Raad 13-03-2026 24/01046 ECLI:NL:HR:2026:393
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:393
Samenvatting
X stelt beroep in tegen een WOZ-beschikking met als enige argument dat de gemeente de stijging van de waarde ten opzichte van het vorige jaar niet voldoende heeft onderbouwd. Rechtbank Limburg verklaart het beroep kennelijk ongegrond, omdat de WOZ-waarde van andere jaren geen betekenis heeft en X verder geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd. X gaat in verzet, waarbij hij met een serie nieuwe argumenten komt. De rechtbank oordeelt dat X in het verzetschrift met name heeft betoogd dat de waarde in vergelijking met het jaar daarvoor te fors is gestegen en dat in de bestreden uitspraak al is geoordeeld dat die grond niet kan slagen.
De Hoge Raad oordeelt dat de verzetsrechter ten onrechte geen acht heeft geslagen op de nieuwe argumenten die X in verzet heeft aangedragen tegen de WOZ-waarde. In verzet kunnen nieuwe argumenten naar voren worden gebracht als die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd bij een normale behandeling van de zaak (vgl. HR 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, V-N 2025/21.12). De verzetsrechter moet het verzet met inachtneming van die argumenten beoordelen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en doet de zaak zelf af door het verzet alsnog gegrond te verklaren. De gedingstukken laten namelijk geen andere conclusie toe dan dat de door X in verzet aangevoerde argumenten twijfel doen ontstaan over de uitkomst van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank moet opnieuw beoordelen of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.
Opmerking
Het zal steeds vaker voorkomen. Woningeigenaren die het niet eens zijn met de WOZ beschikking. De vastgoedprijzen rijzen de pan uit. Mogelijk ook met desastreuze gevolgen voor Box 3 vakantiewoningen. In percentages uitgedrukt ten opzichte van voorgaande jaren laten deze prijzen een hockeystickachtige stijging zien. En dat is dus meteen het misverstand. De WOZ waarde wordt op peildatum zelfstandig bepaald zonder vergelijking met voorgaande jaren. Belastingplichtige ging daar wel vanuit en vond daarom, dat de WOZ waarde te hoog is vastgesteld.
De rechtbank vond dit zo’n duidelijk punt op grond van constante jurisprudentie, dat zij zonder zitting het beroep van belastingplichtige afwees als kennelijk ongegrond op grond van art 8.54, lid 1 AWB. Belastingplichtige ging op grond van art 8.55 AWB hiertegen in verzet en brengt naast de oude argumenten van de te hoge indexatie ook nog eens nieuwe in, die te maken hebben met de referentiepanden die niet vergelijkbaar zouden zijn. Maar de verzetsrechter (dezelfde?) oordeelt, dat belastingplichtige oude argumenten inbrengt en wijst ook het verzet af.
De HR ziet dat anders, omdat de verzetsrechter de nieuwe argumenten over de referentiepanden niet heeft beoordeeld. Dat doet de HR nu zelf en komt tot de conclusie, dat de nieuwe argumenten voldoende twijfel doen ontstaan over de uitkomst van het beroep bij de Rechtbank en moet de zaak opnieuw beoordelen.
Hoewel het volgens de Rechtbank constante jurisprudentie zou zijn, dat er een jaarlijkse WOZ waarde wordt bepaald onafhankelijk van de voorgaande jaren, lijkt de HR zich daarover op de vlakte te houden. Hij constateert alleen, dat de Rechtbank de nieuwe argumenten niet heeft beoordeeld (ro 4.4).
“Uit het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank blijkt dat zij alleen is ingegaan op het door belanghebbende in verzet opnieuw aangevoerde argument dat de vastgestelde waarde van de woning in vergelijking met het jaar daarvoor, te fors is gestegen. Uit de uitspraak van de Rechtbank blijkt niet dat zij ook acht heeft geslagen op de door belanghebbende in zijn verzetschrift aangevoerde nieuwe argumenten waaruit volgens belanghebbende blijkt dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. De klacht slaagt.”
De HR doet het verzet zelf af: is daarmee de constante jurisprudentie over de zelfstandige waardebepaling bevestigd?
Ricky Turpijn
