
“We wait always for something that does not come” (Ernest Hemingway).
Taxlive 12/3/26 VNVandaag 11/3/26
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-03-2026 (publicatie 09-03-2026) 23/1158 ECLI:NL:GHARL:2026:1330
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1330
Samenvatting
Erflater X ontvangt de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 waarin het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is berekend op € 39.596. Later past de inspecteur ambtshalve rechtsherstel toe en vermindert dit bedrag tot € 38.318. De rechtbank verlaagt dit bedrag verder naar € 16.087. In hoger beroep is in geschil of X aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement op het box 3-vermogen 2018 lager is dan het forfaitaire rendement volgens de Wet rechtsherstel box 3.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bewijslast voor een lager werkelijk rendement bij X ligt. X geeft slechts bedragen voor dividenden, beheerkosten en begin- en eindwaarden van de beleggingen, specificeert niet welke mutaties voortkomen uit stortingen of onttrekkingen en onderbouwt de cijfers niet met bescheiden. Kosten van vermogensbeheer tellen niet mee bij de berekening van het werkelijke rendement. X maakt niet aannemelijk dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement volgens de Herstelwet. De aanslag IB/PVV 2018 wordt door het hof vastgesteld conform de eerdere ambtshalve beschikking.
Opmerking
Het gaat hier in deze procedure voor het Hof om de vermogensrendementsheffing Box 3 over het jaar 2018. Het hoger beroep van belanghebbende is gericht op de hoogte van het forfaitair vastgesteld rendement zoals die door de inspecteur op grond van de Herstelwet is berekend en die hoger zou zijn dan het werkelijk rendement zoals die uiteindelijk door HR in zijn Dday arresten op 6/6/2024 zou moeten worden bepaald. De belanghebbende slaagt niet in zijn bewijslast om dat duidelijk te maken voor de appelrechter.
Belanghebbende is gedurende de procedure overleden en de erven hebben de procedure overgenomen. Hoewel er kennelijk wel een gemachtigde is, is het niet duidelijk of deze ook is verschenen op de zitting en of deze deskundig is op deze toch wel nieuwe materie.
De overweging 4.4 van de appelrechter doet vermoeden, dat de erven er alleen voor hebben gestaan:
“Belanghebbende heeft met betrekking tot de aandelen die worden beheerd weliswaar aangegeven wat de waarde van deze beleggingen begin en eind 2018 was, maar niet of, en zo ja in hoeverre deze waardeverandering is ontstaan door stortingen in of onttrekkingen aan deze beleggingsportefeuille. Anders dan belanghebbende stelt, kan – zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 – met kosten van beheer bij het bepalen van het werkelijk rendement geen rekening worden gehouden. Belanghebbende heeft de door haar in de brief van 30 december 2024 gepresenteerde cijfers niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden.”
Het schort in de bewijsvoering aan steekhoudende feiten. Feiten, die niet meer aan de Hoge Raad als niet feitelijke instantie kunnen worden voorgelegd.
Het is wel jammer, dat het zo is gelopen, omdat deze procedure een voorbeeld kan zijn en niet de eerste is en ook niet de laatste zal zijn, nu belanghebbenden massaal worden uitgenodigd een tegenbewijs te leveren als het werkelijk rendement lager mocht zijn dan het rendement vastgesteld op grond van de herstelwet.
Het is wachten op de volgende casus.
Ricky Turpijn
