“Wie niet bereid is iets op zich te nemen, die weet niet wat plicht is” (Confucius).

Taxlive 26/3/26 VNVandaag 25/3/26
Bron: Hoge Raad 24-03-2026 23/00760 ECLI:NL:HR:2026:424

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:424

X is (middellijk) enig aandeelhouder van twee BV’s. Vanaf 2011 dient hij zowel voor zichzelf als voor de BV’s stelselmatig geen belastingaangiften meer in. In 2018 is door de FIOD in de woning van X een groot aantal ongeopende blauwe enveloppen aangetroffen. Slechts enkele daarvan zijn ter conrole door de FIOD geopend. De door X zelf gemaakte administratie bestaat enkel uit wat kladblokken met losse aantekeningen. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft X opzettelijk geen IB-aangiften gedaan, feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk niet doen van VPB-aangiften en het niet voeren van een administratie. X krijgt een boete van € 50.000, zonder betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis. X stelt in cassatie onder meer dat hij ten aanzien van de BV’s niet de aangifteplichtige is.

De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke aangifteplicht op de BV rust waaraan het aangiftebiljet is uitgereikt en niet (ook) op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens de BV het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen. Het kennelijke oordeel van het hof dat X moet worden aangemerkt als degene die tot het doen van de VPB-aangiften gehouden was, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Wetboek van Strafrecht (art. 47 t/m 51) biedt verschillende mogelijkheden om degene, die anders dan als pleger betrokken is bij het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Volgt terugwijzing naar het hof.

Bijzonder is de reden voor de terugverwijzing van deze strafzaak naar het gerechtshof.

Hoe komt het nu, dat les een van de cursus formeel recht niet is binnengekomen bij het Hof?

Dit, omdat het Hof (drieman sterk) de verdachte, dga/natuurlijk persoon, als pleger van het niet doen van de vereiste aangifte Vpb van zijn BV’s, heeft aangemerkt en bewezen heeft verklaard. Zowel bij de rechtbank als bij het Hof heeft de verdachte niet aangegeven, dat niet hij, maar zijn BV’s aangifteplichtigen zijn voor het omissiedelict van art 69, lid 1 AWR. Het Hof is daar kennelijk in meegegaan en heeft niet zelfstandig het een en ander uitgezocht. Pas in cassatie heeft verdachte aangegeven, dat hij niet de aangifteplichtige is.

En dan kan de Hoge Raad – aangezet door de AG Frielink – niets anders dan de (raadsman van) verdachte volgen. RO 2.5.1

“Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de verdachte moet worden aangemerkt als degene die tot het doen van de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde aangiften vennootschapsbelasting voor [A] B.V. en [B] B.V. gehouden was. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat de wettelijke aangifteplicht rust op de vennootschap waaraan het aangiftebiljet blijkens de tenaamstelling daarvan is uitgereikt en op de belastingplicht van welke vennootschap die aangifte betrekking heeft, en niet (ook) op degene die als vertegenwoordiger of gemachtigde namens de vennootschap het aangiftebiljet feitelijk in ontvangst heeft genomen of de aangifte feitelijk heeft gedaan. (Vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286 en HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121.)”

Verwijzing moet volgen.

En vilein gaat de Hoge Raad verder, dat de verdachte mogelijk als medepleger kan worden aangemerkt. RO 2.6:

“Opmerking verdient dat artikel 47 tot en met 51 van het Wetboek van Strafrecht verschillende mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid.”

Ricky Turpijn

Aanbevolen artikelen

Een reactie plaatsen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *